Joods! Tora leren en leven.

Bijgeloof, een joodse visie: Van ‘rode draadjes’ tot ‘het slechte oog’

Er bestaat veel bijgeloof, meer dan we willen toegeven.  Met knoflook, ‘knoblech‘, hangertjes, talismannen en amuletten proberen we grip te krijgen op ons leven. 

Geluksobjecten geven ons een gevoel van geborgenheid, bescherming en veiligheid in een boze wereld, zeker tegen de ajin hore, het boze oog.

De Talmoed zegt over het boze oog: voor degene, die er in gelooft, wordt het vanuit de Hemel meegenomen maar degene, die er niet in gelooft, wordt het niet vanuit de Hemel meegenomen.

Het kan zijn, dat wanneer mensen jaloers worden op het geluk van iemand anders, men in de Hemel nog eens goed gaat kijken of deze persoon zijn geluk wel verdient. Dat kan na de Hemelse heroverweging anders voor de gelukkige persoon uitpakken als hij/zij er in gelooft.

Met bijgeloof hebben we het gevoel de regie over ons leven weer over te kunnen nemen, na wat magische handelingen voelen we ons weer gerust, onze stress neemt af en we zijn weer gelukkig.

Wat is het verschil tussen geloof en bijgeloof?

Geloof en geloofwaardig zijn:

  • Gegevens uit de Joodse traditie;
  • Zaken en gegevens, die door wetenschappelijk – bijvoorbeeld medisch – onderzoek zijn bewezen en juist blijken te zijn;
  • Maar alles onder de voorwaarde, dat al die invloeden en krachten niet als zelfstandig gezien worden maar als onderworpen aan het Opperwezen.

Davvenen (bidden) helpt

Het is bijvoorbeeld in New York aangetoond dat davvenen (bidden) helpt. In ziekenhuizen werd het davvenen wetenschappelijk onderzocht en het blijkt te werken. In seculiere taal heet het ‘zenden van positieve energie‘.

Hartpatiënten werden in groepen verdeeld waarvoor wel en waarvoor niet gedavvend werd. Het bleek dat het de groep, voor wie wel gedavvend werd, beter ging dan de groep waarvoor niet gedavvend werd.

Bij deze samenloop van gegevens uit de Joodse traditie (‘davvenen helpt’) en wetenschappelijke bevindingen mag men aannemen, dat het niet om bijgeloof maar om geloof gaat.

Mezoeza: mitswa en bescherming

Neem de mitswa, het gebod van mezoeza als ander voorbeeld: het is volgens de Tora verplicht om perkamenten rolletjes met daarop Tora teksten aan alle deurposten te bevestigen.

Deze mezoezot (mv. van mezoeza) worden met een beracha (zegenspreuk: Geprezen is G’d die ons geboden heeft de mezoeza aan te slaan) bevestigd. Dit geeft aan, dat we het in eerste instantie als een G’ddelijke opdracht zien om de mezoeza aan onze deurposten te bevestigen.

Maar daarnaast geeft de Joodse traditie duidelijk aan, dat een mezoeza een beschermende functie heeft. Dit komt onder andere tot uiting in de naam Sjad-daj op de mezoeza, hetgeen wel gezien wordt als een ‘acrostichon van beginletters’ van de woorden Sjomeer Daltot Jisraeel, G’d beschermt de deuren van het Joodse volk.

Mezoezot kan ook gelezen worden door andere lettercombinaties als ‘zaz mawet‘ – laat de dood wijken. Het is bekend dat als een huis door rampen getroffen wordt, men de mezoezot moet nakijken of ze nog wel kosjer zijn.

Maar ook hier geldt weer: als iets duidelijk verankerd ligt in de Joodse traditie, heet het geen bijgeloof maar is het geloof.

Bijgeloof is egoïstisch

Bijgeloof is egoïstisch want het gaat alleen over het aantrekken van geluk en het bezweren van ongeluk. Bijgeloof is puur egocentrisch en staat los van G’d.

Voor veel mensen zijn de chamsa (de hand met de vijf vingers bij de ingang van ons huis, van het woord chamisja, vijf (boeken van de Tora of 5 vingers)), de birkat habajit (de huiszegen), de Davidster met zijn zes punten, knoflook onder het matras van een pasgeboren baby, een bedelarmband met de letter he voor kleine kinderen, sleutelhangers in de auto met het gebed voor op reis of allerlei hangertjes met bezwerende talismannen, beschermende objecten.

Nu niemand tegenwoordig meer in staat is om werkelijk beschermende amuletten te maken – is de beschermende werking een kwestie van overlevering.

De beschermende werking van de Davidsster is gebaseerd op een traditie, dat koning David op vlucht voor koning Sja’oel, zijn voorganger, een grot invluchtte waarna een spin een web spon voor de entree van de grot. Koning Sja’oel meende uit de aanwezigheid van een spinneweb te kunnen afleiden, dat er niemand recentelijk de grot was binnengegaan. Zo werd Davids leven gered. Volgens sommigen was het web gesponnen met zes punten als een Davidsster.

Echt geloof maakt alle talismannen, amuletten en mascottes overbodig

Het verbod op bijgeloof kan gelezen worden in Dewariem/Deut. 10:12: “Welnu Jisraëel, Hasjeem, uw God, vraagt U niets anders dan dat U ontzag voor Hasjeem, Uw G’d, toont, dat u al Zijn wegen volgt, dat U Hem liefhebt, Hem met heel Uw hart en heel Uw ziel dient en Hasjeems geboden en Zijn wetten…nakomt…(11:16) Maar pas op: laat u er niet toe verleiden een dwaalspoor te volgen, voor afgoden te knielen en die te vereren”.

Wij moeten volledig geloof in Hasjeem hebben en ons niet op dwaalsporen laten brengen. Een van die dwaalsporen is bijgeloof, dat grenst aan ongeloof of lichte afgoderij.

De Kitsoer Sjoelchan Aroech, het Joodse wetboek, behandelt alle aspecten van waarzeggen, voorspellen en tovenarij (uitgave NIK):

Er staat geschreven (Wajjikra 19:26): „Houd je niet bezig met bijgeloof en doe geen voorspellingen”. Wat is bijgeloof? Als iemand zegt: „Omdat mijn brood uit mijn mond gevallen is”, of: „Mijn stok is uit mijn hand gevallen”, of: „Een raaf kraste tegen mij …”; „Een hert kruiste mijn pad ….”; „Een slang passeerde mij rechts ….”, „daarom zal ik niet deze weg nemen want dat brengt ongeluk”. Zo ook diegenen die een vogel horen tsjilpen en zeggen: „Dit of dat zal er gebeuren”, of die dit beschouwen als een goed of slecht voorteken voor iets.

Ook als iemand gevraagd wordt een lening terug te betalen en zegt: „Alstublieft, laat me nu met rust, het is ochtend en ik wil de dag niet met iets slechts beginnen”. Degene, die toch een van deze dingen doet, overtreedt een verbod van de Tora. Einde citaat.

Kennelijk verbiedt de Tora om toevalligheden tot leidraad van onze beslissingen en handelingen te maken. Waar het in essentie om gaat, is dat men toevalligheden niet als zelfstandige en lotsbepalende oorzaken mag zien. Toch mag men sommige omstandigheden als een goed teken beschouwen, zoals trouwen bij wassende maan als teken van een huwelijks leven vol groeiende voorspoed. Dit ziet men dan niet als zelfstandige oorzaken van geluk of ongeluk.

Wat is het verschil tussen een vroom, gelovig mens en iemand die dat niet is?

Het leven is geen reeks toevallige gebeurtenissen. Als men G’ds hand kan zien in opbouwende en positieve gebeurtenissen, is dit geoorloofd.

De Kitsoer gaat verder: “Wat is het (verboden) voorspellen? Iemand die de toekomst voorspelt op basis van astrologie: „Dit is een goede dag” of: „Dit is een slechte dag”, of: „Dit jaar of die maand is slecht om dat te doen”. Maar dat men trouwt bij wassende maan, dat is geen bijgeloof of waarzeggerij, want men trouwt alleen onder een goed voorteken.

Waar het om gaat is dat toevalligheden geen zelfstandige of voorspellende betekenis krijgen. Geloof vindt uiteindelijk zijn oorsprong in G’d. Trouwen onder een goed Hemels teken als een wassende maan is geen afgoderij omdat men er geen zelfstandig voorspellende betekenis aan toekent.

De wassende maan symboliseert groei en men wenst het bruidspaar op deze manier symbolisch een bloeiende toekomst. Maar hiermee kent men de hemellichamen geen zelfstandige betekenis toe. Het onderscheid is subtiel maar belangrijk.

De Kitsoer gaat door: “Het is verboden tovenaars te raadplegen, behalve in geval van levensgevaar of als men ziek is geworden door tovenarij of als men gestoord wordt door een kwade geest, dan mag men genezing zoeken bij een niet-Joodse tovenaar.

Hierover schrijft Rambam in zijn Misjna Tora, Hilchot Awodat Kochawiem 11:16: „Dit is allemaal dwaas­heid en wie daarin gelooft, is zwak van geest: „Vertrouw met volkomen vertrouwen op Hasjeem, je G-d” (Dewariem 18:13).

Wat uit voorgaande blijkt, is dat er een grijs overgangsgebied is tussen iets dat nog net ‘kosjer geloof’ heet en iets dat al geen kosjer geloof meer is maar bijgeloof heet. Duidelijk moge zijn, dat er hier ook een grote plaats is ingeruimd voor de subjectieve invulling van denken en voelen. Wat voor de een bijgeloof is hoeft dat voor de ander niet te zijn.

We kennen in het Jodendom veel symboliek.

Waar ligt de grens?

Wanneer heet het nog geloof en waar begint het bijgeloof of zelfs afgoderij te heten?

Vanuit het Jodendom bekeken is bijgeloof het erkennen van zelfstandige krachten aan concrete zaken en wordt het gekenmerkt door dwangmatig gedrag, magisch denken, self-fulfulling fantaseren en `profeteren’. Het komt overal voor. Iedereen heeft zijn bijgelovige fantasieen. In het Westen schaamt men zich er voor. Maar sommigen zijn de schaamte allang voorbij zoals bleek bij de WK voetbal toen Ghanese voetballers naar een medicijnman gingen en Westerse voetbalteams hele aankleedrituelen hadden ontwikkeld in de overtuiging dat ze anders zouden verliezen.

Alledaagse praktijken zijn het afkloppen, niet onder een ladder doorlopen en het getal 13.

Afkloppen komt in de beste kringen voor. Men doet dat het liefst op onbewerkt hout want het heeft twee on-Joodse oorsprongen.

De oude Germanen geloofden dat bomen een soort reincarnatie van de goden waren. Bij bedreiging door demonen, was het aanraken van hout de zogenaamde redding.

De andere verklaring is van christelijke origine en gaat rechtstreeks terug naar het hout van het kruis. Zeker bij overmoedig praten moest de `hoogmoed’ goed gemaakt worden door het hout van het kruis aan te raken als uiting van nederigheid.

Als een ladder tegen een muur wordt geplaatst, ontstaat er een driehoek. Onder een ladder doorlopen, werd gezien als het doorbreken van de drie-eenheid. Het werd als zeer oneerbiedig ervaren.

Vrijdag de 13e

Waarom is ‘vrijdag de 13e’ altijd zo een hype?

Er zijn vliegtuigen zonder rij 13 en hotels die zelfs geen kamer 13 of 13e verdieping hebben. Geloof in ‘vrijdag de 13e’ kost globaal miljarden, want veel mensen gaan de deur niet uit.

1. Het is eerder het getal van G’ddelijke genade, de 13 eigenschappen van G’ds medelijden en

2. De dertien geloofsprincipes van Maimonides.

3. De Tora wordt met dertien uitlegregels verklaard (door Rabbi Jisjmaeel),

4. de Briet-mila (besnijdenis) is met dertien verbonden verklonken met het Joodse volk en

5. in iedere tsietsiet – schouw­draad – zitten 8 draden en 5 knopen, samen weer 13.

6. De namen van de Aartsva­ders en Aartsmoeders tellen ieder samen 13 letters,

7. Jakob had dertien kinderen en

8. in het Beet haMikdasj, de Tempel werden er dertien verschillende vormen van ieder dienstvoor­werp gebruikt.

Geesten bezweren en waarzeggerij

“Laat er bij jullie niemand zijn die zijn zoon of zijn dochter aan het vuur overgeeft, of iemand die met wichelarij tovert, let op de loop van de wolken of het gekronkel van slangen, of aan zwarte magie doet of iemand, die met bezweringen goochelt, geesten uit de dood oproept, de toekomst voorspelt of overledenen raadpleegt, want alle mensen, die dit doen zijn een gruwel voor Hasjeem (G’d)…je moet oprecht met Hasjeem, je G’d zijn” (18: 10-13).

Echte afgoderij hebben we niet meer tegenwoordig maar allerlei vormen van zwarte magie en bijgeloof zijn nog steeds erg bekend. Goochelarij is in sommige kringen geaccepteerd maar wordt in vele andere kringen veroordeeld. Ik citeer U wederom de Kitsoer:

Onze Geleerden hebben gezegd (Sanhedrin 65b): „Wat valt er ook onder tovenarij? Iemand die de ogen misleidt”, een goochelaar. Dat wil zeggen, het is alsof hij de ogen van de mensen vasthoudt en hen misleidt. Het lijkt voor hen alsof hij wonderlijke, bovennatuurlijke dingen doet, terwijl hij in werkelijkheid niets doet, maar het publiek alleen met zijn vingervlugheid en trucs misleidt.

De entertainers dit dit soort dingen op brui­lof­ten doen, overtreden een verbod uit de Tora. Wie voor zo’n voorstelling opdracht geeft, overtreedt het verbod dat men geen struikelblok mag leggen voor een blinde. Daarom is ieder, die daartoe in de gelegenheid is, verplicht om ertegen te protesteren. En het is zeker verboden hiernaar te kijken.

Onder Westerse Joden is het echter gebruikelijk om goochelen toe te staan. Waarschijnlijk omdat men weet wat er achter zit. Iedereen in het Westen kijkt door de trucs heen zodat goochelen geen zinsbegoocheling meer is. Iedereen had in zijn jeugd zo een goocheldoos en iedereen beseft, dat het een kwestie is van vingervlugheid.

Daarom wordt het goochelen in `jekkisje’ kring veelal toegestaan.Zodra men beseft, dat de goochelaar geen zelfstandige scheppende kracht is, is het magische karakter verdwenen.

Mag men geloven in horoscopen?

Sterrenbeelden en sterrebeeldtheorieën (wat wij astrologie noemen) wordt door serieuze sterrekundigen (astronomen) als onzin afgedaan. Maar toch leest iedereen ‘voor de mazzel‘ (mazzel betekent gesternte) even zijn horoscoop bij de kapper in een van ’s lands bladen. Is het alleen maar nieuwsgierigheid? In sommige landen wordt er pas getrouwd als de sterrebeeldkundigen hun toestemming geven.

Heeft U zich weleens afgevraagd waarom de maanden in de horoscopen altijd gebroken zijn? Is dat niet omdat de sterrebeelden de maankalender volgen, hetgeen wij ook in het Jodendom doen?

Wij mogen niet geloven in waarzeggerij en horoscopen maar toch gaat het Jodendom er van uit, dat iedereen een mazzal heeft, een speciale ster die beschermt (B.T. Sjabbat 53b). Dit mazzal is in staat tot een hogere perceptie van dingen, die de mens zelf niet eens merkt (B.T. Sanhedrien 94a). In feite staat alles onder invloed van sterren. Er is geen grassprietje dat geen Hemelse beschermengel heeft, die het een ’tik’ geeft en zegt ‘groei’! Dit is natuurlijk een soort beeldspraak maar het betekent, dat Hemelse invloeden het aardse leven stevig besturen.

Maar wordt ons leven nu wel bestuurd door de mazzalot?

Hierover bestaat in de Talmoed (500 na) een groot meningsverschil. Rav Chanina zei: “Israël staat wel onder invloed van het gesternte. Maar Rabbi Jochanan houdt vol dat het Joodse volk immuun is voor de invloed van de planeten.”

Kunnen we ons lot dan keren? Wanneer men zijn uiterste best doet, is het mogelijk het lot in eigen hand te nemen en onafhankelijk te worden van de  voorbeschikking, die in de sterren vastligt. Maar niet door middel van occulte praktijken, maar alleen door Torastudie, mitsvot, goede daden en oprecht gebed.

Bezweren wij het slechte door steeds Baroech Hasjeem (G’d zij dank) en Be’ezrat Hasjeem, met G’ds hulp, te zeggen? Nee, dit zijn juist uitingen van G’dsvertrouwen!

Buitenstaanders vragen mij wel eens of deze `stopwoorden’ van orthodoxe Joden `bezweringen van onheil’ vormen. Het zijn inderdaad geen directe antwoorden op de vraag maar het zijn eerder geloofsverklaringen vanuit de overtuiging, dat alles `wat G’d doet, ten goede is’. Op een vraag hoe het met traditionele Joden gaat, zullen zij nooit direct goed of slecht antwoorden. “Baroech Hasjeem” of ‘Be’ezrat Hasjeem’ is een uiting van vertrouwen in G’d maar dit is zeker geen bezwering, zoals sommigen dit wel eens willen zien.

We willen de naam van G’d zoveel mogelijk laten horen, juist ook in het intermenselijke verkeer, dat zo `menselijk en aards’ lijkt. G’d moeten we ook in onze meest dagelijkse en `normale’ activiteiten betrekken. Dit gebruik was al gangbaar in de tijd van Boaz (1000 voor), die de maaiers en Ruth groette met:  ‘G’d is met u’. De maaiers zeiden hem ‘Moge G’d u zegenen’ terug. In de jeugdvereniging Bne Akiva worden de activiteiten hiermee begonnen.

Het betekent in essentie, dat G’d niet ergens ver in de Hemel is en zich niet met het aardse reilen en zeilen bemoeit. G’d staat tussen de mensen. Natuurlijk moeten wij de G’dsnaam met ontzag en eerbied uitspreken maar dat spreekt vanzelf.

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.