Joods! Tora leren en leven.

Dierenrechten, xenotransplantatie en vegetarisme

Na de zondvloed is de relatie mens – dier veranderd. Toen Noach en zijn zonen de ark verlieten werd hen toegestaan ook dieren als voedsel tot zich te nemen (Genesis 9:3).

Het Jodendom is gekant tegen het onnodig pijnigen van dieren, maar dieren mogen wel worden gebruikt om in de menselijke behoeften te voorzien.

De mens wordt ‘hoger’ geacht dan het dier.

In het Scheppingsverhaal (Genesis I:29-31) komt naar voren dat de mensen voor de zondvloed alleen zaaddragende gewassen aten. Ook in de eschatologische wereld, de Messiaanse tijden, heet het, volgens de Profeet Jesaja (11:7): “En de leeuw zal stro eten als het rund”.

Deze teksten beschrijven echter een ideale situatie die bestond aan het begin van onze wereld en die pas weer zal bestaan in de tijd van de Masjie’ach. In de Tora wordt nergens aangegeven, dat het vegetarisme als een ideale levenswijze wordt beschouwd of dat xenotransplantatie verboden zou moeten worden.

Xenotransplantatie

Rabbijnen worden de laatste jaren bestookt met vragen of xenotransplantatie – het implanteren van dierlijke organen bij mensen – volgens de Joodse wet, de halacha, toegestaan is.

In discussies met christenen staan deze laatsten vaak verbaasd over het Joodse standpunt in deze. Niet-Joden eten wel varkensvlees, maar hebben soms de grootste moeite met een varkenshart in een mens.

In het Jodendom is dit anders. Hoewel wij de grootste problemen hebben met een varkenskarbonaadje op ons bord hebben de rabbijnen geen enkel probleem met transplantatie van varkensorganen.

De tekst uit Leviticus die stelt, dat “varkens onrein voor u zijn”, betekent slechts een verbod in de consumptieve sfeer. Zeker nu het gaat om levensredding staan alle rabbinale autoriteiten transplantie van varkensharten in de mens toe.

Maar er blijven vele vragen.

  • Kan een mens met een varkenshart nog wel “naar G’ds beeld geschapen” heten?
  • Gaan we niet een stap te ver richting de Griekse ‘mensdieren’?

Dilemma’s te over.

  • Verandert de mens wanneer hij dierorganen bij zich draagt?
  • Overtreden we niet het Bijbelse verbod op het vermengen van diersoorten?
  • Heet deze mens nog wel een mens?

Levensredding

Wanneer het gaat om het redden van levens staan alle rabbinale autoriteiten het gebruik van varkensharten in principe toe.

Het Jodendom ziet in een varkenshart niets meer, maar ook niets minder, dan een belangrijk technisch onderdeel, waarmee het lichaam en daarmee ook het G’ddelijk beeld, de ziel, in stand wordt gehouden.

Het hogere zielsaspect van de mens heeft contact met de hersenen en zolang deze maar identiek blijven is de mens nog steeds zijn oorspronkelijke zelf.

Het G’ddelijke beeld – zijn zieleleven – blijft na xenotransplantatie in stand.

Vermenging

Het vermengen van verschillende soorten dieren met elkaar – zoals een paard en een ezel – wordt inderdaad door de Tora verboden. Maar wanneer het om levensredding gaat wordt dit verbod terzijde geschoven.

Niettemin kan het zeker juist zijn dat er iets met de persoon gebeurt wanneer hij organen van dieren in zich draagt.

De gedachte dat je ‘wordt wat je eet’ is het Jodendom niet geheel vreemd, maar dit wil toch niet zeggen dat de mens dierlijke trekken krijgt zodra hij aan xenotransplantatie wordt onderworpen.

De ervaringen met hartkleppen van varkens wijzen niet in deze richting.

Relatie mens-dier

In feite speelt hier op de achtergrond de vraag naar de Joodse visie op de relatie mens – dier.

  • Mogen wij dieren als ’testcases’ of orgaanbanken gebruiken?

Nu dierproeven niet meer zijn weg te denken uit de medische wetenschap, is dit een zeer prangende kwestie geworden.

Ook het dierenrecht heeft de laatste decennia aan belangstelling gewonnen.

Nu is de Tora het meest progressieve document uit de Oudheid waarin de rechten van dieren worden beschermd.

Wie een dier verhindert tijdens het werk te eten, wordt zwaar gestraft.

Gedurende het zevende ‘sjabbatjaar’ moet men alle dieren vrij laten eten van de producten van de braakliggende velden.

Een dier dat onder zijn last dreigt te bezwijken, moet men helpen.

Voordat men zelf aan tafel gaat, geeft men zijn dieren te eten.

In de Tien Geboden wordt ook rust op sjabbat voorgeschreven voor de dieren.

De Amerikaanse autoriteit rabbi Mosje Feinstein keurde verschillende wrede praktijken uit de moderne ‘bio-industrie’ af.

Maar toch staat in de Joodse literatuur de mens centraal en niet het dier.

De Tora kent geen dierenrechten, alleen mensenplichten.

Dieren leed berokkenen is een degradatie voor de mens en dierenbescherming verhoogt het morele karakter van een maatschappij.

Wij mogen dieren dus als donoren inschakelen.

Risico’s voor de volksgezondheid

Wat belangrijker is, is de vraag of wij met xenotransplantatie geen grote risico’s voor de volksgezondheid nemen.

Naast afstotingsproblemen speelt besmettingsgevaar een grote rol.

Bij varkens zijn tenminste drie retrovirussen aangetroffen die mee verhuisden tijdens transplantaties.

Zijn deze ziekteverwekkers eenmaal het lichaam binnengeslopen, dan krijg je ze vrijwel niet meer weg.

De Amerikaans immunoloog Fritz Bach acht dit een behoorlijk gevaar. Zijn grootste zorg is dat de virussen zich onder de bevolking verspreiden.

  • Bestaat er een sluitend systeem van risicomanagement waarmee de volksgezondheid gewaarborgd kan worden?

In Engeland is recent hierover een conceptrapport verschenen.

Om besmetting te voorkomen moeten alle relaties van de orgaanontvanger, met wie lichaamssappen kunnen worden uitgewisseld, meewerken aan medisch toezicht.

Vele xenotransplantatie-commissies kiezen voor vrijwillige medewerking in plaats van gedwongen medische supervisie.

Dit kan ook niet anders: mensen in de moderne maatschappij ergens toe dwingen is bijna onbegonnen werk, behalve via de wet.

De zorgplicht voor alle burgers om schade voor hun medemens zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken, staat nog niet zolang in de burgerlijke wet.

Maar in de Tora – meer dan 3323 jaar geleden gegeven op de berg Sinaï – wordt dit al als basisregel van sociaal gedrag gesteld: “Gij zult niet werkeloos toezien hoe een ander zijn (lichamelijke of geestelijke) ondergang tegemoet gaat” (Leviticus 19:16).

Deze norm laat de ontvanger en zijn relaties geen enkele keus.

Hoewel een klein risico voor de gezondheid van de totale bevolking geen veto op deze veelbelovende en ook dringend noodzakelijke medische ontwikkeling rechtvaardigt, dienen ontvangers volledig en zonder voorbehoud mee te werken aan onderzoeken die de besmettingsrisico’s kunnen beperken.

Een ethische Tora-norm, waar niemand omheen kan.

Jodendom niet tegen vegetarisme

Het Jodendom biedt zeker aanknopingspunten voor een vegetarische levenswijze, maar men mag niet uit het oog verliezen dat er verschil bestaat tussen vegetarisme als hoeksteen van een levensfilosofie en de Joodse visie waarbinnen vegetarisme slechts een onderdeel zou kunnen vormen van een veel bredere religieuze filosofie.

Het is, getuige de kippensoep op vrijdagavond, een oude Joodse gewoonte om op sjabbat vlees te eten.

De sjabbat moet op gepaste wijze worden gevierd met eten en drinken, speciaal met vlees en wijn. Volgens Maimonides (1135-1204) zijn deze laatste ingrediënten bepalend voor de sjabbatfeer.

  • Hoe kan een vegetariër deze mitswa (gebod) vervullen?

De Sjoelchan Aroech (288:1) stelt in eerste instantie dat het verboden is te vasten op sjabbat, maar iets verder in de Joodse codex wordt dieper ingegaan op deze regel: “Indien men iedere dag vast en men eronder zou lijden als men op sjabbat zou moeten eten, omdat dit een verandering zou zijn in het normale eetpatroon, zou het toegestaan kunnen worden om te vasten”.

Indien het dus zelfs toegestaan is om te vasten op sjabbat onder deze omstandigheden, moet het zeker toegestaan zijn om geen vlees te eten wanneer men daar een afkeer van heeft.

Ook uit andere bronnen blijkt, dat het eten van vlees niet werkelijk verplicht is.

De vegetarische eetgewoonten zijn dus niet strijdig met de Joodse opvatting inzake de viering van sjabbat.

Respect en restricties

Respect voor alle vormen van leven is een grondbeginsel van ons geloof.

Jagen is al helemaal uit den boze, aldus rabbi Jechezkeel Landau (1714-1793): “Zoiets dergelijks vinden wij nergens in de Tora, behalve bij Nimrod of Esau, slechte en verdorven mensen. Dit past niet bij de afstammelingen van Awraham, Jitschak en Ja’akov”.

Niettemin is de consumptie van vlees geoorloofd, zij het met vele beperkingen.

Allereerst de economische restricties: “Eet uien en wees gerust, maar eet geen gans of kip, want dan zul je onrustig eten” (eenmaal gewend aan vlees zal men deze eetgewoonte niet meer willen opgeven).

“Wie vette staarten eet, zal zich op zolder moeten verstoppen voor zijn schuldeisers. Degene, die alleen maar groenten eet, kan zich rustig overal vertonen” (zonder vrees voor crediteuren; B. T. Pesachiem 114a).

Naar aanleiding van een passage in de Talmoed waarin het uitgeven van veel geld voor vlees wordt afgeraden, schrijft rabbi Chaim Azulai (1724-1806) dat men alleen vlees mag eten in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld om gezondheidsredenen.

Volgens rabbi Sjlomo Loeria (1510-1573) mag men vlees eten om het lichaam te sterken, maar niet enkel en alleen voor persoonlijk genoegen.

Twee stromingen

Wat de filosofische kant van de zaak betreft zijn er twee stromingen in het Jodendom te onderkennen.

Sommige rabbijnen lijken veel van de vegetarische levenshouding te steunen. Zij beschouwen de huidige mens – dier relatie, waarbij de mens het dier slacht, als een uiting van de gevallen toestand van de mens.

Anderen, zoals rabbi Sjné’oer Zalman (1745-1813) uit Liadi, bezien de mens – dier verhouding echter in een geheel ander perspectief: “Wanneer een mens vlees eet om zich te sterken voor de G’dsdienst en het leren van Tora of om de sjabbat op te luisteren, dan wordt dit vlees als het ware verheven doordat de aan het vlees ontleende energie wordt gebruikt voor de G’dsdienst. Het wordt gelijk een offer”.

Met andere woorden, indien een koe een ongestoord leven leidt en op natuurlijke wijze sterft, dan was het eenvoudig een koe. Maar als de koe geslacht wordt en uiteindelijk wordt gebruikt voor een hoger doel, dan is de koe haar puur fysieke bestaan ontstegen en tot een hoger plan van gewijde dienstbaarheid verheven.”

Gezondheid en kasjroet

Dan speelt er nog een gezondheidsaspect: kenners van de bio-industrie weten dat het ‘vetmesten’ van dieren risico’s voor de volksgezondheid kan opleveren. Soms worden gevaarlijke chemicaliën toegevoegd aan het dieet voor runderen.

Uit vele uitspraken van onze wijzen blijkt dat men potentieel gevaar voor de gezondheid zo veel mogelijk moet mijden. Indien het waar is dat producten van de bio-industrie gevaar kunnen opleveren voor de gezondheid, zou dit een goede reden kunnen zijn om vegetariër te worden.

Ook het kasjroet – de Joodse spijswetten, het rituele aspect – vormt een groot probleem bij vlees.

De Talmoed (B. T. Pesachiem 49b) verklaart, dat een am-ha’arets – ongeletterde – geen vlees mag eten omdat hij niet op de hoogte is van alle voorschriften inzake het slachten en zouten van vlees.

Daarom mag het slachten en zouten alleen door deskundigen geschieden.

Resumerend zou men kunnen stellen dat het Jodendom op grond van vele praktische en enkele filosofische overwegingen niet afwijzend staat tegenover vegetarisme.

Dierenhype

De dierenhype is niet zo vreemd. De Talmoed zegt dat, wanneer er een ziekte onder de varkens is, ook de mensen zich zorgen moeten maken omdat de ingewanden van varkens lijken op die van de mensen.

Ook de psychische opmaak van de mens bestaat in de laagste zielenregionen uit een nefesj behamiet – een dierlijke ziel. We hebben een aantal zaken met dieren gemeen.

Vandaar dat het lot van dieren ons aan het hart gaat en dat we er veel uit kunnen leren.

Tegen de consumptiemaatschappij

Sommigen wijzen op mond- en klauwzeer, bse en andere dierenziekten als een directe aanklacht van Boven tegen onze consumptiemaatschappij.

Met de klauw (de hand) grissen wij alles naar ons toe en met de mond consumeren wij maar door. In het Jodendom is het verboden de hoeken van het gezicht met een mes te scheren.

De baard bedekt de onderkaak, waar het eten wordt gekauwd en waar de smaakzintuigen zitten.

De onderkaak laten wij overwoekeren door een weelderig gewas, vanuit het besef, dat deze levensfunctie ons mens-zijn niet mag domineren. We moeten niet eten omdat wij bepaalde gerechten lekker vinden maar veel meer omdat wij het voedsel nodig hebben voor onze gezondheid.

En onze lichamelijke gezondheid staat uiteraard in het teken van onze godsdienst. Een vermanend vingertje richting onze consumptiemaatschappij, een eyeopener voor ons egoïstische gedrag.

Het leert dat we in ons leven niet alleen uit moeten zijn op plezier en genot.

Leiders afgerekend op diervriendelijkheid

Dierenzorg en het voorkomen van dierenleed vormen belangrijke thema’s in het meer verhalende deel van de Talmoed, de Aggada.

Mozes en David werden vanachter de schapen uitverkoren tot leiders van het volk.

Rabbi Jehoeda Hannassi (2e eeuw), de auteur van de Misjna (Mondelinge Leer), kreeg een vreselijke ziekte, enkel en alleen omdat hij geen medelijden toonde tegenover een dier dat op weg naar de slachtbank zijn toevlucht bij de bekende rabbijn had gezocht. Toen hij later wel de gepaste gevoelens kon opbrengen, werd hij weer genezen.

Dieren nodeloos pijnigen is ten strengste verboden. Stieren‑ en hanengevechten werden zonder meer verboden. Wanneer dieren ‑ al dan niet in laboratoria – alleen door de. dood uit hun lijden kunnen worden geholpen, moet dit zo snel mogelijk gebeuren.

Mens centraal

De Amerikaanse rabbi Mosje Feinstein keurde verschillende wrede praktijken uit de ‘moderne’ bio‑industrie af. Toch staat in de Joodse literatuur in deze discussies de mens en niet het dier centraal.

De Tora kent géén dierenrechten, alleen mensenplichten. Dierenleed berokkenen is een degradatie voor de mens. Bescherming van dieren verheft het morele karakter van een maatschappij, maar toch blijft de mens belangrijker dan het dier.

Reeds in de zestiende eeuw schreef R. Mosje Isserles, dat “alles, wat nodig is voor de geneeskunde of voor andere belangrijke zaken, het verbod tegen dierenleed in principe terzijde schuift” (Ewen haEzer 5:14).

Dierproeven voor de cosmetische industrie zouden volgens de laatste mening niet zijn geoorloofd. Maar voor medisch onderzoek is veel toegestaan, hoewel dierenleed uiteraard tot een minimum beperkt moet blijven.

Gebruik van dieren om mensenlevens te redden is geoorloofd en soms zelfs vereist. Hoewel de rechtervleugel van de christenen alhier dit niet wil aanvaarden, is xenotransplantatie met een varkenshart een ‘must’.

Experimenten in overleg

Toch werden díerexperimenten niet zonder overleg met gezaghebbende rabbijnen uitgevoerd.

De responsaliteratuur staat hieromtrent vol vragen van gewetensvolle individuen, waarbij ‘kosten/batenanalyses’ vaak niet ontbreken. Sommige geleerden stonden dierproeven alleen toe, wanneer aantoonbaar was dat de vooruitgang van de medische wetenschap ermee zou zijn gediend.

Omdat het verbod op pijnigen van dieren uit de Tora stamt is duidelijk dat, ook wanneer dierproeven worden uitgevoerd voor geoorloofde doelen, dierenleed tot het absolute minimum beperkt moet blijven.

Dierproeven mogen alleen worden uitgevoerd als de gezochte informatie niet op een andere manier kan worden verkregen.

De mens mag dieren gebruiken, maar niet misbruiken. Zowel mens als dier staan G’d ten dienste en de omgang met dieren moet passen in Zijn Scheppingsplan.

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.