De Tora gaat er van uit dat een maatschappij zonder rechtssysteem geen lang leven beschoren is.
Het voorschrift om een systeem van recht en rechtvaardigheid in te voeren geldt voor ieder samenleving ongeacht de gezindte. De vestiging van een rechtsorde vormt één van de Noachietische geboden, die tot de gehele mensheid gericht zijn.
De Tora werd aan een geheel volk gegeven en niet alleen aan individuen. Het doel van de Tora is niet alleen verheffing van het individu maar is ook gericht op het inrichten van een rechtvaardige samenleving.
Alle aspecten en instanties van een Tora-samenleving moeten doordrongen zijn van een geest van liefdevolle rechtvaardigheid.
De Joodse wet schrijft eigenlijk voor, dat, indien men in een onrechtvaardige en corrupte maatschappij leeft en er geen uitzicht op is, dat deze samenleving in de goede richting beïnvloed kan worden, men zo spoedig mogelijk de geboortegrond moet verlaten om een gemeenschap te vinden, die de idealen van de Tora dichter benadert.
De continuïteit van de wereld is gebaseerd op rechtvaardigheid.
De Chagamiem (Joodse Wijzen) zeiden eens: “Hij, die rechtvaardig rechtspreekt, heet G’ds partner in de Schepping”.
Een zachte aanpak?
De Tora van liefde is tevens de Tora van gerechtigheid.
Zo moet het ook zijn. In een maatschappij, waar onrecht getolereerd wordt, kan liefde niet bloeien.
In deze geest benadert de Tora het liberale dilemma. Het resultaat is vaak dat meer consideratie wordt getoond met de misdadiger dan met het slachtoffer.
De Tora leert, dat een zachte aanpak, die misdaad bevordert, slecht is en dat een harde aanpak van misdaad niet a priori slecht is.
De Chagamiem stelden, dat “Hij die goed is voor wreedaardige mensen uiteindelijk wreed is voor de zachtmoedigen”. Dwang is soms noodzakelijk om crimineel gedrag een halt toe te roepen.
In onze ‘permissive society’ blijft dit overigens een groot probleem.
De structuur van het Tora-recht
Het Tora-recht kent een geheel eigen structuur.
In een theocratie is iedere heerschappij voorbehouden aan het Opperwezen. G’d kent echter geen verplichtingen. De plichten richten zich op het individu.
Mensen zijn tegelijkertijd subject en object van Tora-opdrachten.
Vertaald in juridische termen betekent dit, dat het niet de Staat is die de mensenrechten garandeert en handhaaft, maar dat dit overgelaten wordt aan iedereen individueel.
Plichten worden vaak uitgedrukt in zeer algemene termen, waaraan door derden geen tastbare voordelen en rechten kunnen worden ontleend. Degene, die door een bepaald ge- of verbod beschermd of bevoordeeld zou moeten worden, heeft doorgaans geen juridische middelen om zijn (mensen)rechten af te dwingen.
Mensenrechten
De positie van de mensenrechten in de Tora verschilt niettemin weinig van de status van de universele mensenrechten.
De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die slechts rechten en (behalve art. 29) geen plichten kent, is hiervan een goed voorbeeld.
De mensenrechten worden in de Universele Verklaring erkend als zodanig maar geen van deze rechten is wettelijk afdwingbaar. Het zijn ‘leges nudae’, rechten op papier, die interessant zijn om te lezen maar weinig troost bieden voor het verdrukte en vervolgde deel van de mensheid.
De Verklaring zelf beschouwt deze rechten als algemene richtlijnen voor de wetgevende machten bij het opstellen van geldende wetgeving; maar de Verklaring zelf verplicht de individuen niet tot naleving en bindt Staten niet om ze uit te voeren.
Wanneer de mensenrechten in de beschaafde wereld gelijkgesteld worden met fundamentele vrijheden, waar iedereen in een rechtsstaat recht op heeft, is dat niet zozeer omdat zij werkelijk afdwingbaar zijn maar veeleer omdat zij inhoudelijk een weergave vormen van ethische en humane waarden.
Omdat de mensenrechten een juridische weerslag vormen van moderne zeden en opvattingen, maakt het eigenlijk weinig uit of zij gesteld zijn in de vormen van rechten en plichten. Omdat de erkenning van een recht een verplichting impliceert om dit recht te implementeren, heet de keerzijde van een mensenrecht een plicht.
Erkenning van de ander
Artikel 29, lid 2 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bepaalt, dat de uitoefening van mensenrechten slechts beperkt wordt door wetten die het respect voor de rechten en vrijheden van derden beogen te beschermen of bedoeld zijn om de zedelijkheid, openbare orde of het algemeen belang te bevorderen.
Erkenning van en respect voor de rechten en vrijheden van derden moet iedereen, die rechten voor zichzelf opeist, altijd voor ogen staan.
Dit leidende beginsel werd reeds in de Talmoed verwoord door Hilleel toen deze door een heiden gevraagd werd de hele Tora te onderwijzen, staande op één voet. Hilleel zei toen: “Wat gij niet wil dat U geschiedt, doe dat ook een ander niet; dit is de essentie van de wet – de rest is toelichting” (B.T. Sjabbat 31a).
Wetgeving is gericht op zelfbeperking. Zelfbeperking is uiteindelijk erkenning en respect voor de eigen rechten. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens staan veel onderwerpen, die ook in de Tora behandeld worden.
Het recht op leven
De Tora beschermt dit recht in Sjemot 20:12: “Gij zult niet moorden” en in Bereesjiet 9:6: “Wie ’s mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden want naar het beeld G’ds heeft Hij de mens gemaakt”.
Met name deze laatste woorden vormen een centraal thema in het Tora-denken. Het houdt in dat de mens gezien wordt als een spiritueel wezen en in staat is tot goeddoen en liefde.
Menselijk leven afbreken is daarom hoogverraad aan de Tora. Moord verdrijft de G´ddelijke aanwezigheid uit de wereld. “Hij die een mens doodt, vernietigt een hele wereld” (Sanhedrien 4:5).
De jongste ontwikkeling op het gebied van abortus- en euthanasiewetgeving staan op gespannen voet met de Tora-visie op het leven. In deze tijd wordt de waarde van het leven in brede kring met de mond beleden. Toch staat het leven niet werkelijk hoog in aanzien.
Sommige ‘idealisten’ zijn bereid om honderden onschuldige mensen te doden om hun doelen te bereiken. Velen keuren dit af maar kunnen er niettemin ‘begrip’ voor opbrengen. Begrip voor misdaad is delen in het kwaad.
De mens als product van een toevallige evolutie is van weinig betekenis. Maar een mens, gecreëerd door G’d voor een verheven doel, wint aan inhoud. Hier ligt de essentie van de Tora-benadering.
In het Tora-denken is het verbod op doden absoluut van karakter en G´dgegeven. Maar de geschiedenis leert, dat ‘man-made’ overtuigingen tot rechtvaardiging van genocide zonder weerga kunnen leiden, zoals aangetoond in de annalen van de Tweede Wereldoorlog en de oorlog in Joegoslavië.
Tora pacifistisch?
Toch is de Tora niet pacifistisch.
Oorlog is soms gerechtvaardigd; strijd werd echter nooit verheerlijkt. De Tora-benadering van het oorlogsvraagstuk lijkt paradoxaal. Geweld mag toegepast worden om vrede te bewaren. Vrede staat hoog genoteerd in de Tora-waardenhiërarchie maar onder omstandigheden is geweld een deugd. Dit geeft een verwarrend beeld.
Ondanks de grote nadruk op vrede, spreken de klassieke bronnen klare taal: “Wanneer iemand er op uit is U te doden, wees hem dan voor en dood hem eerst” (Sjoelchan Aroech I:329:6): “Wanneer vijandige troepen zelfs maar dreigen aan te vallen, gaat men hen gewapend tegemoet en is het zelfs toegestaan de Sjabbatrust te ontwijden”.
Omtrent de Tora stelt koning Salomo in Spreuken (3:17) dat “al haar paden vreedzaam zijn”. Dit lijkt in schril contrast te staan tot de oorlogswetgeving, waar zelfs een dreiging serieus genomen wordt en afgestraft moet worden. Zelfverdediging is niet alleen geoorloofd, het is zelfs een plicht.
Waarom werd zelfverdediging gezien als een religieuze opdracht?
De Tora en de vertegenwoordigers van de Tora-waarden werden door G’d in de geschiedenis geplaatst om in de loop der tijden bepaalde doelen te bereiken. De menselijke factor is hierbij onmisbaar. “U zijt mijn getuigen, zegt G´d, en Mijn dienaar, die Ik heb gekozen” (Jesaja 43:10).
Als volk van G’d zijn hun overtuigingen, moreel niveau en uiteindelijk hun fysieke bestaan een G´dsbewijs. Een verdedigingsoorlog wordt verplicht omdat de Tora-erfenis levend moet blijven.
De Tora eist niet, dat wij onze doodsvijanden onvoorwaardelijk liefde betonen. Wel leert de Tora alleen wreedheid en slecht gedrag te haten maar niet de persoon. Ook onze vijanden zijn mensen. De Tora leert te vergeven en te vergeten. Religie verdraagt zich niet met langdurige haatgevoelens; maar dit laat het recht op zelfverdediging onverlet.
Strijdige instructies
Een soldaat belandt soms in een klemsituatie, met name als hij lid is van een vredesmacht, zoals in Irak.
Het gebod (Wajikra 19:16) “Gij zult niet werkeloos toezien bij het bloed van uw naaste” werd als een actieplicht opgevat. Wanneer iemand in levensgevaar verkeert, moet alles gedaan worden om hem te redden, ook indien dit betekent dat zijn belager gedood moet worden. Indien men in de gelegenheid is om iemand te redden en dit nalaat wordt dit gelijkgesteld met bloedvergieten.
Interessant is dat het Brahimi-rapport (2000) van de VN tot een vergelijkbare conclusie komt: “Onpartijdigheid is niet hetzelfde als neutraliteit of als gelijke behandeling van alle partijen in alle gevallen, welke kan uitlopen op een politiek van appeasement”.
Wanneer nu de instructies van een soldaat uit de vredesmacht luiden “houdt U afzijdig” en de Tora in een concreet geval levensreddend optreden zou voorschrijven, moet G’ds woord prevaleren. De enige uitzondering hierop ligt wellicht in het overkoepelend belang van de geloofwaardigheid en neutraliteit van vredesmachten. Zouden zij de zwakste partij in ieder conflict telkens steunen dan zou hun rol en functie op de langere termijn snel ondergraven worden.
Alleen hierin ligt enige rechtvaardiging voor het vaak passieve optreden van vredesmachten.
Recht op vrijheid
In een wereld, waarin slavernij gewoon was en de motor van de economie vormde, zette de Tora de eerste stappen op weg naar een menselijke maatschappij. Onwettige vrijheidsberoving was een zeer zware overtreding, waarop de doodstraf kon staan.
Meer dan 3300 jaar geleden proclameerde de Tora vrijheid voor slaven. In tegenstelling tot de conventies van die tijd, waarin voortvluchtige slaven teruggegeven werden aan meesters, schrijft de Tora voor, dat iedere slaaf van welke nationaliteit dan ook, die de grenzen van het Heilige Land bereikte, automatisch vrij was om de meest elementaire burgerplichten in acht te nemen.
De Tora kent inderdaad wetgeving op het gebied van de slavernij. Maar die is bijzonder humaan. Iemand kon alleen door de rechtbank als slaaf verkocht worden indien hij zijn schulden, ontstaan door diefstal, niet kon terugbetalen. Hij werd dan voor maximaal zes jaar verkocht en had gedurende de gedwongen werkperiode niet minder mensenrechten dan iedere willekeurige andere burger. In feite vormt de slavernij-wetgeving een maatregel van reclassering.
Als iemand aan lager wal raakt, belandt hij volgens de Tora niet in de gevangenis – waar hij alleen maar nog meer slechts leert van zijn “collega’s” – maar wordt hij door de rechtbank in een goed gezin geplaatst om opnieuw opgevoed te worden in de regels van mijn en dijn en sociale omgangsvormen.
Hier steekt de Tora wederom met kop en schouders uit boven alle andere rechtssystemen.
Recht op privacy
Ook met het oog op de privacy-wetgeving was de Tora zijn tijd ver vooruit. De grootste bedreiging van iemands privacy vormen zijn schuldeisers. In het uiterste geval kunnen zij – geheel rechtmatig – het huis van hun schuldenaar binnendringen en laten verkopen wat hun goeddunkt of zelfs het hele woonhuis laten veilen. Zij mogen het recht niet in eigen hand nemen maar deurwaarders en andere beambten kunnen dit wel.
Alleen in de Tora staat een privacy-beschermende maatregel, die zelfs in onze moderne rechtsstaat (nog) onbekend is (Dewariem 24:10 e.v.):
“Wanneer gij van uw naaste enige schuld te vorderen hebt, zult gij niet zijn huis binnengaan om een pand van hem weg te nemen. Gij zult buiten blijven staan en de man, die u schuldig is, zal het pand buiten bij u brengen”.
Dit geldt zowel voor de crediteur als voor de deurwaarder. De Tora zwakt verantwoordelijkheid voor financiële verplichtingen niet af. Schulden moeten zonder meer betaald worden en insolvabiliteit heeft in het Tora-denken dezelfde gevolgen als in het moderne recht.
Waar het wel om gaat, is de menselijke waardigheid, die in het geding is wanneer vreemden prive-gebied binnendringen. De Tora schrijft de debiteur voor de eer aan zichzelf te houden. Zelfs een gerechtsdienaar blijft buiten staan om de privacy niet te schenden.
Niet ieder gedrag is in juridische termen te vatten. Ook subtiele vormen van inbreuk op de privacy hebben hun weg gevonden in de Talmoed. Bij de vier gedragingen, die volgens Rabbi Sjimon bar Jochai (B.T. Nida 16b) verwerpelijk zijn in de ogen van G’d en onaangenaam zijn in de ogen van de mens, hoort ook het plotseling betreden van andermans kamer, zelfs in het eigen gezin.
Rabbi Akiwa zei: “Betreed je eigen huis niet onaangekondigd; dit geldt des te meer voor andermans huis” (B.T. Pesachiem 112a). Deze adviezen zijn gebaseerd op een Tora-passage in Bereesjiet (3:9). Voordat G’d zichzelf openbaarde aan Adam, vroeg Hij hem “Waar ben jij?” teneinde hem niet te overrompelen. Een kwestie van goede manieren.
Buren en correspondentie
Regelgeving ten aanzien van privacy-bescherming wordt verder gevonden in het burenrecht. De Talmoed erkent, dat iedereen het recht heeft op ongestoorde privacy ook wanneer dit slechts het zicht van anderen betreft. Voyeurs en nieuwsgierige aagjes worden geweerd door de regel, dat buren geen ramen mogen aanbrengen, die hen in staat stellen bij het belendende perceel naar binnen te gluren (Bawa Batra 3:7).
Maar er is meer….de privacy van persoonlijke correspondentie wordt gewaarborgd door een instelling van Rabbenoe Gersjom uit de tiende eeuw. Vertaald naar onze eeuw betekent dit een verbod op het afluisteren van telefoongesprekken of openbaarmaking van computergegevens, ook door regeringsautoriteiten – behoudens in geval van (ernstige) verdenkingen van misdadige activiteiten, lands- of levensbelang.
In het leger kent een soldaat weinig privacy. Soldaten zijn in hun uniform niet meer herkenbaar als individuen. Dit kan leiden tot een verlies van eigen verantwoordelijkheid. De Tora gaat uit van een absolute individuele verantwoordelijkheid. Ook op het slagveld geldt deze norm.
Hoewel talloze ervaringen uit het verleden hebben uitgewezen, dat fatsoenlijke burgers, zodra zij hun uniform hebben aangetrokken en ten strijde trekken, een verminderd normbesef hanteren, schrijft de Tora `decency’ voor (Dewariem 23:14):
“Want uw G’d wandelt in uw legerplaats….daarom zal uw legerplaats heilig zijn zodat Hij niets onbehoorlijks bij u ziet en Zich niet van uw afwendt”.
Menselijk blijven in de oorlog is een zware opdracht maar blijft geboden om verlies van individualiteit en zelfrespect – de diepere achtergrond van de privacy-wetgeving – te voorkomen.
Het recht op gezin
De Tora beschouwt het gezin als de natuurlijke en meest fundamentele eenheid binnen de maatschappij. Het allereerste Tora-gebod draait om dit gegeven (Bereesjiet 2:18):
“En G’d zei: Het is niet goed, dat de mens alleen is”.
Vandaar de Talmoedische uitspraak dat een vrijgezellenbestaan niet goed is (B.T. Jewamot 62b). G’d heeft de wereld geschapen opdat deze bewoond zou zijn (Jesaja 45:18). Het stichten van een gezin is niet alleen maar een recht maar eerder een religieuze plicht. Daarom moet een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw (Bereesjiet 2:24). Volgens de Joodse traditie heeft men zijn plicht van voortplanting pas vervuld wanneer men minimaal één zoon en één dochter heeft.
De huwelijksband vormt een delicaat complex van factoren van fysieke, psychologische, persoonlijke en emotionele aard. Een duurzame gehechtheid is meer dan alleen wederzijdse aantrekking en kan alleen werken op basis van wederzijds vertrouwen. Wanneer deze basis wankelt, raakt de Tora-opdracht in het slop.
Het morele fundament voor een gezonde opvoeding is onherstelbaar aangetast. Overspel ondermijnt het huwelijkse vertrouwen en dat is al voldoende om het een misdaad te noemen. Het is een vergrijp tegen de heiligheid van het huwelijk, zowel op intermenselijk vlak als in de relatie mens-G´d.
Het druist in tegen de Tora-opdracht om binnen het gezin de basis te leggen voor een moreel verantwoorde maatschappij.
Trouwen is geven
Sommige zien het huwelijk als een strategie om ‘zoveel mogelijk uit het leven te halen’. In de Tora is het huwelijk een altruïstisch instituut – een gelegenheid om zoveel mogelijk in het leven te stoppen. Een Tora-huis is een omgeving waarin Torastudie, gastvrijheid en mensvriendelijkheid voorrang hebben boven alles.
De spirituele warmte van zo’n huis in de wijde omgeving bespeurbaar en veel jongelui maken daar voor het eerst kennis met de diepere inhoud van een levende religie en geloofsbelevenis. De discipline binnen een Tora-huwelijk creëert de voorwaarden voor de opvoeding van mentaal en moreel stabiele kinderen, die zich bewust moeten worden van een hogere levensopdracht en bestemming als ontluikende leden van een geloofsgemeenschap. Hier is gehoorzaamheid geen toegeven aan willekeurige grillen van de vorige generatie. In deze omgeving is volgzaamheid onderdeel van religieuze gehoorzaamheid, waarin ouders en kinderen gelijkelijk delen. Wanneer kinderen zien hoe hun ouders hun eigen wil onderschikt maken aan de wil van het Opperwezen, hoeft er geen generatiekloof te ontstaan.
Hoogste vrede
Grosso modo zijn de mensenrechten gericht op herstel van duurzame vrede op ieder niveau van de menselijke samenleving. Maar wat is vrede?
Vrede ligt binnen handbereik. Vrede begint bij onszelf. Vrede is de zielsharmonie, waarin tegenstrijdige innerlijke drijfveren in harmonie opereren, agressie en liefde een gulden middenweg bewandelen.
Rabbi Jitschak Arama (18e eeuw) stelt, dat vrede in de zin van ‘geen oorlog’ de rijkdom van dit begrip te kort doet. Vrede is iets positiefs, het medium dat mensen met verschillend temperament en tegenstrijdige opvattingen in staat stelt samen te werken voor het gemeenschappelijk welzijn.
Individuele deugdzaamheid verduistert in isolatie. Vrede brengt alle individuele inspanning samen en vergroot zijn luister. Daarom is Sjalom, Vrede een naam van G´d, omdat Hij de hele schepping verenigt.
De mensheid ondergaat een tergend langzame evolutie. Met vallen en opstaan rijpt onze verdraagzaamheid. Oorlog en geweld zijn slechts symptomen van onze existentiële gebrokenheid.
De recente internationale ontwikkelingen ondersteunen echter de profetische visie van Jesaja, waarin de mensheid volwassen wordt en toegroeit naar het punt dat “geen volk meer het zwaard zal opheffen tegen een andere natie en men elkaar geen oorlog meer zal leren”.
Religie roept hoop op, speciaal in onze generatie van gelatenheid en wanhoop. Alleen met een G´dsdienstig vertrouwen op een betere toekomst van uiteindelijke verlossing van alle menselijke tekortkomingen in de dagen van de Messias zullen vele hindernissen en obstakels genomen kunnen worden.
Mensenrechten alléén zijn onvoldoende.
