Joods! Tora leren en leven.

Achtergronden van de Pijoetiem

Pijoetiem

Joodse gebruiken en halachische voorschriften gaan hand in hand. Dit geldt met name voor de bekende Nederlandse minhaĝiem (gewoonten), die overal in de wereld opzien baren vanwege hun ouderdom en authenticiteit.

Pijoetiem bevatten een diepere, al dan niet mystieke achtergrond. Vaak brengen zij belangrijke aspecten van de ge- en verboden van de Tora op poëtische wijze naar voren.

Verschillende soorten pijoetiem

Onze geregelde gebeden (tefilot) zijn eenvoudig van vorm en inhoud. Vaak bestaan zij uit verschillende Tenach-ver­zen. Moeilijker te begrijpen zijn de bijzondere gebeden en dicht-stukken die voor de buitengewone dagen en tijdstippen van het jaar vervaardigd werden. Naar hun verschillende aard en bestemming worden deze onderverdeeld in

  • feestdichten (pijoetiem),
  • smeek- en boetgebeden (seliechot),
  • treurzangen voor Tisj’a Be’aw (kinot).

Pijoetiem onderscheiden zich in taal, vorm en inhoud. Hun taal is middeleeuws Hebreeuws, met vele grammaticale constructies en woordvormen die in Tenach niet voorko­men. Bovendien zijn het veelal gedichten op rijm, met vers-maat, alfabetische volgorde, invlechting van bepaalde verzen uit Tenach en vaak met de naam van de dichter als beginletters van de verzen. 

Wie op feest-, boete- en treurdagen bezield wil worden door de indrukwekkende gedachte van die heilige tijden, moet zowel intellectueel als gevoelsmatig deelnemen aan de voordracht van de pijoetiem.

Alle begrippen, herinne­ringen en gedachten die onze voorouders op deze bijzon­dere dagen voor de geest kwamen, hun geloof, hun vrees, hun dank, hun juichen, hun hopen, hun studie, alles is met diep gevoel en aangrijpende kracht in deze pijoetiem uitgedrukt.

Pijoetiem zijn een inleiding in de wereld van de echt G’dsvruchtige Joodse denkbeelden en herinneringen, waarmee ons hele leven en gedrag als Joden pas werkelij­ke kracht en betekenis krijgen.

Verschillende namen van de pijoetiem De namen

  • Jotseer
  • Ofan
  • Me’ora
  • Ahawa
  • Zoelat
  • Ge’oela

geven bij de pijoetiem de plaats aan waar zij ingelast moeten worden in de berachot van keriat Sjema in het och­tendgebed.

Meningsverschillen over de wenselijkheid van pijoe­tiem

De bekendste pijoet-dichter (pajtan) was Rabbi Elazar Hakallier, van wie onduidelijk is wanneer hij leefde. De schattingen variëren van de tweede tot de elfde eeuw n.d.g.j.

Rabbi Awraharn ibn Ezra (1092-1167) had  bezwaren tegen het zeggen van de pijoetiem van Rabbi Elazar Hakallier, omdat ze in een raadselachtige stijl zijn geschre­ven, woorden uit vele andere talen bevatten en de regels van de grammatica niet in acht werden genomen.

Andere Rabbijnen waren tegen de pijoetiem, omdat het verboden is het gebed te onderbreken met dichtstukken of omdat men de gemeenteleden niet te veel wilde belasten. Bovendien gebruikten de pijoet-dichters vele benamingen en lofzangen voor het Opperwezen, zodat daardoor de eer van Hasjeem zou kunnen worden aangetast.

Soms worden Engelen als bemiddelaars aangezocht om de Hemelpoor­ten voor de gebeden te openen, waardoor de indruk kan worden gewekt dat men hogere krachten naast het Opperwezen aanroept.

Maimonides (1135-1204) paskent (beslist) in zijn responsa dat men in de berachot voor of na Sjema niet mag onderbreken met pijoetiem, omdat dit een afwijking zou zijn van de voorgeschreven noesach (officiële formulering).

Deze mening wordt over-genomen door Rabbi Ja’akov Asjerie (1275-1340) en Rabbi Joseef Karo (1488-1575) in de Toer en Sjoelchan Aroech (hfst. 68). Rabbi Chaïm Jaïr Bachrach schrijft in zijn responsa (hfst. 238) dat hij het moeilijk vond de langdurige niĝoeniem (melodieën) te volgen omdat dit de dienst wel erg lang rekte. Niettemin achtte deze auteur van het responsawerk Chawot Jaïr zich niet competent om welke minhaĝ dan ook te veranderen.

Rabbi Mosje Isserles (1520-1577) meent eveneens dat men geen enkele minhaĝ van pijoetiem mag veranderen. Dit geldt tevens voor de niĝoeniem (melodieën; Orach Chaïm hfst. 619:1). De Chafeets Chajim legt de woorden van Rabbi Mosje Isserles uit dat men onder bepaalde voorwaarden toch pijoetiem mag toevoegen in de be­rachot van keriat Sjema. De meeste Asjkenazische Geleer­den waren voorstanders van het zeggen van pijoetiem.

In enkele chassidische gemeenschappen is het de gewoonte om de pijoetiem over te slaan en slechts de gebeden hieruit te zeggen. Dit betekent dat alleen die pijoetiem die beginnen met ‘elokenoe we’eloké avoténoe’ worden ge­zegd.

Indien men zonder minjan (quorum van tien Joodse man­nen) dawwent zegt men de pijoetiem in ieder geval niet midden in de berachot (Misjna Beroera 68:6).

Rabbi Elazar Fleckeles, de Opperrabbijn van Praag, schreef in 1793 in een responsum aan een van zijn leer­lingen, dat pijoetiem zeer bekend en geliefd waren bij de vooraanstaande joodse geleerden, met name de pijoetiem van Rabbi Elazar Hakallier, die regelmatig ook in Rasjie (1040-1105) en Tosafot (± 1250) vermeld worden.

Hij stelt: “Indien de Risjoniem (eerdere geleerden) zoals Ras­jie, Tosafot, Nachmanides, Rajsba en andere groten de woorden van de pajtaniem (dichters) zo hebben liefgehad, hoe is het dan mogelijk om de pijoetiem op te heffen. Ie­dere stad en ieder land moet zijn minhag vasthouden”.

Rabbi Ja’akov Zwi Katz, die na de Tweede Wereldoorlog op de Keizersgracht no. 33 woonde, beschrijft in zijn “Le­ket Hakemach Hechadasj” vele aspecten van de pijoetim.

Pijoetim worden wel ‘kerowot’ genoemd omdat de chaz­zan (voorzanger) wordt vergeleken met een koheen die de offers brengt. Zo brengen de pijoetiem de sjoelbezoekers nader tot Hasjeem.

Anderen noemen de pijoetiem ‘krovets’. Rabbi Joseef Karo ziet hierin een acroniem van de pasoek ‘Kol Rina Wisjoe’a Ve’oholé Tsaddikiem’.

U veel wijsheid en gevoel toewensend,

Rabbijn mr. drs. R. Evers

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.