Joods! Tora leren en leven.

Een opmerkelijke inhaalmogelijkheid

Na het vieren van het eerste Pesach na de Uittocht uit Egypte op 14/15 Nisan (april) 2449 anno mundi kwamen de dragers van de kisten van Joseef en de andere stamvaders zoals Re’oeween, Sjimon, Levi en Jehoeda etc. naar Mosje om te klagen over het feit dat ze niet konden meedoen met het eerste Pesach in de woestijn.

Door contact met de overleden stamvaders waren zij ritueel onrein geworden. Ze kregen gelijk van G’d en er werd een tweede Pesach ingesteld, exact een maand later op 14/15 Ijar (mei).

Tora-tekst

De tekst van de achtergronden van dit offer staan beschreven in Bemidbar (Numeri 9:1 – 15). Ik citeer vanaf vers 4: “Zij hielden het Pesach op de veertiende dag van de eerste maand, tegen het vallen van de avond, in de woestijn Sinaï. Overeenkomstig alles wat G’d Mosje geboden had, zo deden de Bnee Jisraeel.

Nu waren er mensen die vanwege het aanraken van het dode lichaam van een mens onrein waren, en op die dag het Pesach niet konden houden. Daarom kwamen zij die dag naar voren, vóór Mosje en vóór Aharon.

En die mensen zeiden tegen hem: Wij zijn onrein vanwege het aanraken van het dode lichaam van een mens. Waarom zouden wij afgehouden worden om de offergave van G’d op zijn vastgestelde tijd in het midden van de Bnee Jisraeel aan te bieden? Mosje zei tegen hen: Blijf staan, dan zal ik horen wat G’d u gebiedt.”

Ook de vreemdeling moet Pesach houden

Toen sprak G’d tot Mosje: “Spreek tot de Bnee Jisraeel en zeg: Iedereen onder u of onder de generaties na u, wanneer hij onrein is vanwege het aanraken van een dood lichaam of ver onderweg is, moet toch voor G’d het Pesach houden. In de tweede maand, op de veertiende dag, tegen het vallen van de avond, moeten zij het houden; met ongezuurde broden, en met bittere kruiden moeten zij het eten.

Zij mogen er niets van over laten blijven tot de volgende morgen en mogen er geen been van breken; volgens alle verordeningen voor het Pesach moeten zij het houden.

Maar de man die rein is en niet onderweg is, en die nalaat om het Pesach te houden, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden. Hij heeft immers de offergave van G’d niet op zijn vastgestelde tijd aangeboden; die persoon moet zijn zonde dragen. En wanneer er een vreemdeling bij u verblijft, moet ook hij het Pesach voor G’d houden. Volgens de verordening van het Pesach en de bepaling ervan, zo moet hij het houden. Voor u geldt één verordening, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene van het land.” Einde citaat.

ACHTERGRONDEN VAN PESACH SJENI – HET TWEEDE KORBAN PESACH (Pesachoffer)

Er waren voldoende geldige redenen om geen Korban Pesach, Pesachoffer te brengen in de latere jaren in de woestijn. Omdat ze gedurende het eerste jaar op één vaste plaats gestationeerd waren, konden de Joden hun kinderen besnijden. Later waren ze constant op reis. Het zou gevaarlijk zijn om de kinderen een briet mila, besnijdenis te geven wanneer ze niet zeker konden zijn van een aantal dagen rust na de besnijdenis.

Als de wolk van G’ddelijke Majesteit optrok, moesten de Bnee Jisraeel opbreken en volgen. Omdat ze nooit van tevoren wisten wanneer ze zouden optrekken, konden ze dus geen besnijdenis uitvoeren. Een vader met onbesneden kinderen mag geen Pesachoffer brengen. Daarom konden ze na het eerste jaar in de woestijn geen Pesachoffers meer brengen. Bovendien blies de gezonde noordenwind in de woestijn niet, waardoor het ongezond zou zijn om briet mila (besnijdenis) te verrichten.

Hoewel er goede redenen waren voor deze nalatigheid was G’d toch niet erg tevreden met de Joden. Door hun eigen zonden, zoals de klachten over het manna en het water en de episode van de verspieders, moesten ze langer in de woestenij blijven (totaal 40 jaar). Ook de noordenwind kregen ze niet omdat ze gezondigd hadden.

De leden van de stam Levi besneden hun kinderen echter wel, ondanks het gevaar. Daarom konden zij wel Pesachoffers brengen gedurende de veertig jaar in de woestijn.

“Ieder mens, wanneer die onrein of op verre weg zal zijn, moet een Pesach voor HaSjeem, G’d maken, in de tweede maand op de veertiende” (9: 10-11).

Men is niet alleen gerechtigd tot een tweede Pesach wanneer men onrein – en de Tempel niet mocht betreden – was of ver weg. Ook wanneer men per ongeluk of zelfs opzettelijk had nagelaten het eerste Pesach te brengen, mag men dit op het Pesach sjenie – het tweede Pesach inhalen (B.T. Pesachiem 93a).

Wereldvernieuwing is een fundamenteel geloofsbeginsel

Een van de achtergronden van deze mitsva (gebod) is, dat het Pesach-offer een duidelijk teken is voor alle wereldburgers, dat de wereld vanuit het niets geschapen werd. Bij de uittocht uit Egypte deed G’d voor ons duidelijke wonderen en heeft Hij ten overstaan van vele volkeren ingegrepen in de natuur. Alle wereldburgers hebben gezien, dat G’ds invloed en macht zich zelfs uitstrekken over dit materiële universum. Bij de uittocht uit Egypte geloofde iedereen weer, dat G’d de wereld had geschapen. Dat de wereld nieuw is, vormt een belangrijk geloofsfundament.

Daarom wilde G’d een inhaalmogelijkheid. G’d wilde niet, dat wij door oponthoud of overmacht hier niet aan zouden kunnen deelnemen. Omdat besef van G’ds almacht zo essentieel is, is ook iemand die tussen de eerste en de tweede Pesach Bar mitswa (volwassen) of Joods wordt, verplicht om deze mitswa van Pesach sjenie te vervullen.

Over de verhouding tot het eerste Pesach kunnen we drie meningen formuleren:

Feest op zichzelf

1. Men kan stellen, dat Pesach sjenie geen inhaalmanoeuvre is maar een chag, feest op zichzelf. De Tora zegt, dat er een nieuwe verplichting ontstaat op 14 Ijar voor degenen, die de eerste Pesach, op 14 Nisan, nog geen offer gebracht hadden.

Inhaalmanoeuvre

2. Ook is mogelijk, dat Pesach sjenie slechts een inhaalmanoeuvre is voor nalatigheid bij de eerste Pesach. Wanneer men het eerste Pesach-offer heeft nagelaten, is men in feite al negatief bezig, `schuldig’. De `schuld’ blijft echter `hangen’ dwz. blijft latent aanwezig tot men het nagelaten eerste Pesach heeft ingehaald door bij Pesach sjenie een offer te brengen.

Laatste mogelijkheid

3. Dan is er nog een derde invalshoek, dat Pesach sjenie geen inhaalmanoeuvre is maar slechts een laatste mogelijkheid om nog een korban (offer) voor Pesach te brengen.

Gelijk in Nisan het eerste Pesachoffer moet het tweede Pesach in de tweede maand Ijar in de namiddag van de 14e Ijar geslacht worden. Het vlees moet ’s nachts gegeten worden, samen met matsa en maror. Toch hoeft men geen chameets weg te ruimen zoals op de echte Pesach moet. Op 14 Ijar hoeft men ook geen werkverbod in acht te nemen. Het eerste Pesach duurt 7 of 8 dagen het tweede Pesach slechts een dag.

Op de eerste Pesach moet er Halleel – een loflied uit Tenach – worden gezegd bij het eten van het Pesach-offer maar bij Pesach Sjenie hoeft dit niet. Bij het klaarmaken van het Pesach-vlees echter eisen beide Pesachiem dat er Halleel wordt gezegd.

Het Pesach-vlees wordt in beide gevallen gebraden gegeten, met matsot en maror, en het schuift de Sjabbat-verboden terzijde. Bij beide Pesach-offers mag men niets van het offer overlaten en geen botten breken.

Tegenwoordig is het een minhag (maar geen Nederlandse) om matze te eten op de tweede Pesach.

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.