Joods! Tora leren en leven.

Over het breken van de middelste matsa – een kabbalistische minhag

Het breken van de middelste matsa aan het begin van de sederavond en het apart leggen van het grootste deel als afikoman behoort tot de oudste en tegelijk meest symbolisch geladen handelingen van het Sederavondritueel.

Reeds in de talmoedische traditie wordt vastgelegd dat niet één van de buitenste, maar juist de middelste van de drie matsot wordt gebroken.

In de kabbalistische uitleg, met name in de leer van de heilige ARI (de ARIzal), is deze keuze allesbehalve toevallig.

De drie matsot worden gezien als een weerspiegeling van centrale geestelijke structuren, bijvoorbeeld als Kohen, Levi en Jisraël, of als de ordening van de sefirot Chochma, Bina en hun verbinding via Da’at.

De middelste matsa staat daarbij voor het verbindende midden (Da’at), voor Tiferet, of voor de figuur van Ja’akov, die tussen de uitersten bemiddelt.

Het breken ervan symboliseert het verlies van heelheid, de toestand van galoet (ballingschap) en het lijden van de rechtvaardige dat aan de verlossing voorafgaat.

De afikoman, die bestaat uit het grotere deel van de gebroken matsa, wordt niet direct gegeten, maar verborgen en pas aan het einde van de sederavond weer tevoorschijn gehaald.
Ook dit verbergen krijgt in de kabbala een diepere betekenis.

De afikoman staat voor het verborgen licht van de verlossing, voor de Sjechina, die zich gedurende de tijd van de galoet niet openlijk manifesteert. Pas aan het einde, na het doorlopen van de hele Haggada — het verhaal van de uittocht uit Egypte — wordt dit stuk gegeten, als een geestelijke daad van hereniging en tikkoen (verbetering, rectificatie).

Dat de smaak van de afikoman de laatste van de avond is en vóór chatsot halaila (middernacht) genoten moet worden, benadrukt dat de verlossing (ge’oela) het laatste woord behoort te hebben.

In sommige kabbalistisch geïnspireerde minhagiem wordt de middelste matsa bij het breken bewust zo verdeeld dat de vorm doet denken aan de Hebreeuwse letter dalet (ד).

Deze gewoonte is niet algemeen verbreid en halachisch niet verplicht, maar draagt wel een duidelijke symboliek. De letter dalet (ד) is taalkundig verbonden met het begrip daloet: armoede of gebrek.

Daarmee verwijst zij naar het “lechem oni”, het brood van de armoede, evenals naar de toestand van de Sjechina in de galoet (ballingschap), die wordt opgevat als een ontvangende maar lege werkelijkheid.


In de symboliek van de sefirot correspondeert de letter dalet met de sefira Malchoet, die uit zichzelf niets bezit en afhankelijk is van vervulling van bovenaf.

Zo vormen het breken van de middelste matsa, de afikoman en eventueel de dalet-vorm samen één samenhangend kabbalistisch verhaal:

De heelheid wordt gebroken, het wezenlijke wordt verborgen en uiteindelijk aan het einde weer opgenomen.

De seder wordt daardoor niet alleen een herinnering aan de historische uittocht uit Egypte, maar een spirituele herbeleving van de weg van gemis en verborgenheid naar overvloed en volledige ge’oela (verlossing).

Moge het daarom in het komende jaar werkelijk voor alle Joden klinken:

לשנה הבאה בירושלים

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.