De Joodse kalenderberekening volgt in eerste instantie de loop van de maan om de aarde en is in principe een maanjaar. Maar vervolgens wordt het zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht met het zonnejaar. We kennen een weekcyclus van Sjabbat tot Sjabbat, een maandcyclus van nieuwe maan tot nieuwe maan en een jaarcyclus van Pesach tot Pesach.
Filosofie
De maankalender is filosofisch geïnspireerd: het wassen en afnemen van de maan staat symbool voor de Israëls vernieuwing. “Gelijk de maan gaat het Joodse volk nooit verloren, zelfs niet in de duisterste perioden. Hernieuwde opbloei en revival zijn te allen tijde verzekerd, zolang G’ds kinderen Hem loyaal blijven”, aldus de negentiende-eeuwse Duitse Rabbiner Hirsch.
Combinatie met zonnejaar is geboden
Zonder gelijkschakeling met het zonnejaar zouden de Joodse maanden en feestdagen de seizoenen doorlopen, zoals dit bij de Mohammedanen het geval is. In de Islam zijn schrikkelmaanden verboden omdat dit volgens de Koran een ’toevoeging van ongeloof’ zou zijn. Ten gevolge hiervan valt de Ramadan nu nog in de herfst maar binnen afzienbare tijd houden de Moslims hun vastenmaand in de zomer. Bij ons is de gelijkschakeling met het zonnejaar een opdracht uit de Tora.
Centraal
De kalender staat in het Jodendom centraal. Het instellen van een kalender was het eerste gebod, dat het Joodse volk ontving toen ze een volk werden: “Deze maand zal voor jullie het begin van de maanden zijn. Deze maand (Nisan) zal voor jullie de eerste maand zijn” (Exodus 12:2). De Egyptische slaven waren geen baas over hun tijd. Na de bevrijding was de eerste opdracht een eigen kalender in te stellen.
Molad, wedergeboorte
Wanneer de maan precies tussen de aarde en de zon in staat, is zij volledig onzichtbaar. De maan wordt a.h.w. herboren. Daarom heet dit moment de ‘molad’, de geboorte van de nieuwe maan. ‘Deze maand’ werd door onze Wijzen uit de Talmoed geïnterpreteerd als iets tastbaars, iets aanwijsbaars. Het eerste zichtbare sikkeltje is het begin van de nieuwe maandberekening.
Vuren en renboden
Vroeger moest over het verschijnen van de nieuwe maan getuigd worden voor het Sanhedrien van 71 rechters in Jeruzalem. Zij riepen dan de nieuwe maand uit. Via vuren op de bergtoppen werd het nieuws door de hele Joodse wereld verspreid. Toen de Samaritanen tegen het einde van de Tweede Tempel periode deze wijze van bekendmaking frustreerden, besloot men met renboden alle Joodse gemeenschappen in en buiten Israel op de hoogte te stellen van het exacte tijdstip van de nieuwe maandberekening.
Later werd een vaste kalender ingesteld.
Burgerlijke jaarrekening
Het burgerlijk jaar is gebaseerd op de loop van de zon. Julius Caesar stelde de zonnekalender op exact 365¼ dag. Het jaar duurde bij hem 365 dagen en om de vier jaar werd een schrikkeldag ingesteld. Latere astronomische berekeningen toonden aan, dat Caesars jaar 11 minuten en 13 seconden te lang was. In 1582 zag Paus Gregorius XIII zich hierdoor genoodzaakt de kalender te hervormen door gewoonweg 10 dagen te schrappen. 15 oktober 1582 volgde direct op de vierde oktober.
Combinatie
Het Joodse kalendersysteem is een combinatie van een zonne- en een maanjaar, het zogenaamde lunisolaire systeem. Het Jodendom moet ook rekening houden met de jaargetijden omdat de Tora voorschrijft, dat Pesach in de lente en Soekot (Loofhuttenfeest) in de herfst moet vallen. Pesach heet het chag ha’aviev, het lentefeest en Soekot heet in de Tora een oogstfeest. De verschillen tussen het maanjaar van ongeveer 354 dagen en het zonnejaar van iets meer dan 365 dagen worden geharmoniseerd door zeven maal in de 19 jaar een tweede maand Adar in te voegen aan het begin van de lente.
De jaren 3, 6, 8, 11, 14, 17 en 19 van de zogenaamde kleine kringloop (de maankringloop) zijn schrikkeljaren waarin het verschil tussen zonne- en maanjaar bijna geheel vereffend wordt. Dit patroon is een gevolg van de vaste kalender, die ongeveer 1670 jaar geleden door Hilleel II werd vastgesteld. Voordien kende de Joodse kalender niet zo’n sterke regelmatigheid. Iedere nieuwe maand werd ad hoc vastgesteld door het Sanhedrien in Jeruzalem nadat de eerste maansikkel was waargenomen en ieder schrikkeljaar werd ad hoc ingesteld wanneer verschijnselen in de natuur hiertoe aanleiding gaven.
Wijze kalender
De Opperrabbijn van Algiers, Rabbi Sjimon ben Zemach Duran, die omstreeks 1400 leefde, werd eens brutaal gevraagd waarom de Joodse tijdberekening de loop van de maan volgt waardoor wij “genoodzaakt zijn schrikkeljaren in te stellen om tot overeenstemming te komen met het zonnejaar?”. Rabbi Sjimon antwoordde scherp, dat onze tijdrekening een teken van grote wijsheid is:
“De kringloop van de zon is niet in maanden in te delen. De christelijke indeling van de maanden is iets kunstmatigs, dat volgens afspraak gebeurt maar geen rekening houdt met de loop van de natuur. Vele wijzen van de oude volkeren hebben onze tijdrekening geprezen… U neemt dus aanstoot aan iets, dat juist een bijzondere verdienste en voortreffelijkheid van onze heilige Leer is en u zou wensen, dat wij zouden worden als zij, die in duisternis gaan terwijl ‘het voor alle kinderen Israëls licht is’!?”.
Tijd van verzoening
Rosj chodesj wordt gezien als een moment van bezinning en verzoening. In het toegevoegde moesaf-gebed van Rosj chodesj heet Rosj chodesj ‘een tijd van kappara, verzoening’. Volgens Rabbiner Hirsch geeft de natuur aan, dat G’d van Zijn volk verlangt, dat zij Hem iedere maand weer opnieuw zoeken. Rosj chodesj duidt op een drang naar wedergeboorte, een frisse start, een nieuw niveau van relatie met het Opperwezen.
Vrouwen vrijgesteld
Rosj chodesj is een speciale dag voor de vrouwen. Volgens de Talmoed (B.T. Megilla 22b) en Rasjie zijn vrouwen vrijgesteld van werkzaamheden, zoals spinnen, weven en naaien – waarin de vrouwen hebben bijgedragen aan de bouw van het Misjkan (de Tabernakel). Wat was er gebeurd?
Mosje was op de berg Sinai geklommen om de Stenen Tafelen in ontvangst te nemen. Het volk raakte vertwijfeld omdat ze hun grote leider kwijt waren. Aharon wilde in de woestijn Sinai, vlak na Matan Tora (het geven van de Tora) voorkomen, dat het Joodse volk een gouden kalf zou maken. Maar de mannen drongen er erg bij hem op aan om het wel te maken.
Aharon zei tegen zichzelf: Als ik tegen Israël zeg: ‘Geef me goud en zilver’, zullen ze mij dat onmiddellijk brengen. Dat wil ik voorkomen. Ik wil de zaak rekken totdat Mosje terug is gekomen van de berg Sinai. Mosje zal hen kunnen terechtwijzen.
Aharon zei toen: “Geeft gij mij de oorbellen van uw vrouwen en uw zonen”. Hij hoopte dat hierdoor het plan zou mislukken. De vrouwen weigerden inderdaad om hun oorbellen te geven aan hun mannen en zeiden tegen hen: “Schandalig, jullie willen een gegoten beeld maken, dat geen enkele macht of kracht heeft”. G’d gaf de vrouwen hun beloning in deze wereld en de toekomstige wereld. Wat heeft Hij hen in deze wereld gegeven? Dat zij de nieuwe maansdagen stringenter dan de mannen mogen houden. En wat zal Hij hun als beloning geven in de toekomstige wereld? De dames zullen dan vernieuwd worden als de nieuwe manen” (Pirke De-rabbi Eliezer hoofdstuk 45).
Rabbi Jitschak, de auteur van het werk Or Zaroea uit Wenen wijst ons op de overeenkomst tussen de maancyclus en de menstruatiecyclus. ‘Gelijk de maan vernieuwt, vernieuwt het lichaam van de vrouw zich ook’ (Or Zaroea, Nida, 360).
Birkat hachodesj
Op de Sjabbat voor Rosj chodesj wordt de nieuwe maand ‘ingezegend’ met een speciaal gebed om gezondheid en overvloed. Deze Sjabbat heet Sjabbat mevarchiem, de Sjabbat waarop we de nieuwe maan inzegenen. Ter herinnering aan de heiliging van de nieuwe maan in het klassieke Sanhedrien te Jeruzalem wordt het tijdstip van de komende ‘wedergeboorte’ van de nieuwe maan uitgeroepen.
Jom kippoer katan
Vlak voor Rosj chodesj wordt vrijwel iedere maand door sommige orthodoxe mensen een speciale Jom kippoer katan dienst gehouden, een kleine Verzoendagdienst. Deze is ingesteld als moment van bezinning en verzoening in de synagoge door 16e eeuwse Kabbalisten uit Safed (Tsefat)
Rosj chodesj zelf
Op Rosj chodesj wordt in het staande Achttiengebed een extra stukje toegevoegd, waarin Rosj chodesj wordt vermeld (dit heet: ja’ale vejavo). Daarna volgt een speciale voorlezing uit de Tora, waar de voorschriften van Rosj chodesj de revue passeren. Het moesaf-gebed is een extra gebed, waarin het extra Tempel-offer beschreven wordt in gebedstermen.
In het bensjen (het birkat hamazon, de dankzegging na de maaltijd) wordt het extra stukje ja’ale vejavo eveneens gereciteerd. Men kleedt zich een beetje extra netjes voor Rosj chodesj en sommige mensen laten bepaalde werkzaamheden na.
Kiddoesj levana
Nauw verbonden met Rosj chodesj is de Kiddoesj levana, inwijding van de maan. Men is verplicht iedere verschijning van de nieuwe maan in te wijden met een beracha – een zegenspreuk. In Joodse buurten verschijnen dan in de avond hele groepen gelovigen op straat om een beracha te zeggen over de nieuwe maan. Dit is een ceremonie met veel voorschriften en regels. Hieronder volgen enkele richtlijnen.
Men bensjt de maan alleen na nacht, zodat zijn stralen duidelijk op aarde te zien zijn en men van zijn licht gebruik kan maken. Wanneer de maan door wolken bedekt is, bensjt men hem niet, tenzij de wolk dun en doorschijnend is. Wanneer men begonnen is met de beracha en hij wordt dan bedekt, kan men de beracha afmaken. Maar wanneer men denkt dat de maan bedekt zal worden, voordat men de beracha beëindigd heeft, mag men er niet mee beginnen. Ook een blinde mag de nieuwe maan bensjen.
Men bensjt de maan uitsluitend onder de blote hemel en niet onder een dak. Maar wanneer men geen schone plaats heeft of als men het om andere redenen niet buiten kan zeggen, kan men de Kiddoesj levana ook binnen voor het raam zeggen.
Het is het beste om de maan te bensjen op motsa’ee Sjabbat, uitgaande Sjabbat, wanneer men nog Sjabbes-dik, gekleed is voor Sjabbat. Wanneer motsa’ee Sjabbat echter later dan tien dagen na de Molad (het verschijnen van de nieuwe maan) valt, of als te vrezen valt dat men dan de maan niet kan bensjen, dan wacht men niet tot motsa’ee Sjabbat.
Het is een mitsva om de maan te bensjen met veel mensen samen, want „de glorie van de Koning komt tot uiting in een grote menigte” (Misjlee/Spreuken 14:28). Maar hiervoor moet men het niet uitstellen, want het principe dat een mitsva zo spoedig mogelijk moet worden uitgevoerd, gaat boven het principe van „de glorie van de Koning”.
Men bensjt de maan niet voordat er minstens drie dagen voorbij zijn sedert de Molad maar sommigen wachten zeven dagen. En als motsa’ee Sjabbat binnen zeven dagen na de Molad valt, moet men niet wachten maar de maan op die motsa’ee Sjabbat bensjen. Men bensjt de maan uitsluitend tot halverwege de 29ste dag van de maand, 12 uur en 793 delen van een uur, dat is 14 etmalen, 18 uur en 22 minuten na de Molad.
Men bensjt de maan niet vóór 9 Av, Tisja beAv. Ook een rouwende moet de maan niet bensjen, tenzij zijn rouwtijd niet geëindigd is binnen tien dagen na de Molad, want dan bensjt hij de maan tijdens zijn rouwtijd. Men bensjt de maan ook niet als men vast, voordat men iets gegeten heeft. Op de avond na Jom Kippoer mag men in ieder geval de maan onmiddellijk bensjen omdat men dan in een blijde stemming is, omdat onze zonden vergeven zijn.
Men bensjt de maan niet op vrijdagavond of op de vooravond van een feestdag, behalve in geval van nood, wanneer de tijd daarvoor op motsa’ee Sjabbat voorbij is.
Wanneer de maan al aan het begin van de avond schijnt, nog voordat men ma’ariev (het avondgebed) gedavvend heeft, en er blijven nog avonden over dat men de maan kan bensjen, dan davvent men eerst ma’ariev en bensjt de maan daarna, want de algemene regel is dat wat frequenter voorkomt, gaat vóór wat minder frequent voorkomt. Bovendien is Sjema een verplichting van de Tora.
Op Rosj chodesj wenst men elkaar een ‘mazzeldikke choidesj’ – een gezegende maand.
Schrikkeljaar levert halachische problemen op
Onze vaste kalender werd ongeveer 1650 jaar geleden in gesteld door Hilleel II maar voordien werd iedere nieuwe maand en ieder schrikkeljaar ad hoc vastgesteld door het Sanhedrin in Jeruzalem. De Misjna (Edoejot 7:7) vermeldt, dat een tweede maand Adar ook na Poeriem ingesteld kon worden: “Rabbi Jehosjoe’a en Rabbi Papias getuigden voor het Sanhedrin, dat na de verwoesting van de Tempel zitting hield te Jawne, dat de schrikkelmaand Adar II gedurende de gehele maand Adar I kon worden vastgesteld”.
Dit leidde tot een groot probleem. Midden in de maand Adar valt het Lotenfeest Poeriem. De Joden hadden dit vrolijke feest gevierd met het lezen van de Esterrol, het sturen van ‘sjlachmones’ (geschenken aan vrienden en kennissen) en gaven aan de armen. Een week later besloot het Sanhedrin een twee Adar in te voegen. Moest Poeriem nu nog eens gevierd worden in de tweede Adar?
De Misjna (B.T. Megilla 6b) beantwoordt deze vraag positief: “Als de Esterrol in Adar I gelezen was en er werd een schrikkelmaand ingesteld dan wordt de Esterrol nogmaals gelezen in Adar II”. De Talmoed legt uit, dat dit zo gebeurde om de redding van het Joodse volk uit de klauwen van Haman zo dicht mogelijk te doen aansluiten bij de viering van de Exodus uit de Egyptische slavernij in Niesan, dat in een schrikkeljaar direct op Adar II volgt.
Vanaf het midden van de vierde eeuw volgt de Joodse kalender een vast en voorspelbaar patroon zodat het probleem van een dubbele lezing van de Esterrol niet meer voorkwam. Maar de Talmoed (J.T. Megilla 1:5) werpt nog een andere vraag op, die ook tegenwoordig zeer actueel is: “Welke maand is nu ‘toegevoegd’ Adar I of Adar II?”.
Welke Adar is nu de echte en welke de schrikkelmaand? De Talmoed komt tot de conclusie, dat de tweede Adar de belangrijkste is. Dit is relevant voor verschillende gebeurtenissen in het Joodse leven, zoals de viering van de Bar mitswa. Een jongen, die geboren werd in Adar in een gewoon jaar wordt in een schrikkeljaar pas in Adar II Bar mitswa maar geboren in Adar II van een schrikkeljaar wordt men in een gewoon jaar Bar mitswa in de gewone Adar.
Rabbi Joseef Karo beschrijft in de Joodse codex Sjoelchan Aroech (Orach Chajiem 55:10) een opmerkelijk geval: “Twee jongens worden in hetzelfde schrikkeljaar geboren, de een op 29 Adar I en de tweede iets later op 1 Adar II. Na dertien jaar is het jaar waarin zij Barmitswa moeten worden een gewoon jaar met slechts een enkele Adar-maand. De laatstgeborene viert nu zijn Bar mitswa op 1 Adar maar de eerdergeboren jongen moet met zijn Bar mitswa wachten tot 29 Adar”!
Een ander probleem vormt het kaddiesj-zeggen op de jaartijd van een overleden ouder. Indien een ouder is overleden in Adar in een gewoon jaar moet kaddiesj dan in Adar I of in Adar II worden gezegd? Deze vraag houdt de autoriteiten verdeeld. De Sefardische Rabbi Joseef Karo (ibid. 568:7) meent, dat men de jaartijddag in Adar II houdt.
De Asjkenazische Rabbi Mosje Isserles gaat hiermee alleen akkoord, als ook het overlijden plaatsvond in Adar II van een schrikkeljaar. Vondt het overlijden plaats in een gewoon jaar dan houden Asjkenazische Joden zijns insziens de jaartijddag in Adar I. Niettemin vermeldt Rabbijn Isserles, dat sommigen zowel in Adar I als in Adar II vasten op de jaartijddag.
Een gelijke vraag doet zich voor bij de chewra kadiesja, het genootschap, dat zich bezighoudt met de ‘tahara’ (wassing) en andere voorbereidingen van het stoffelijk overschot op de begrafenis. Iedere chewra kaddiesja houdt eenmaal per jaar een vastendag, waarop men tezamen komt om de algemene gang van zaken te bespreken. In Jeruzalem is het vast gebruik deze vastendag te houden op 7 Adar, de geboorte- en sterfdag van Mosje Rabbenoe. Wederom de vraag wat men moet doen in een schrikkeljaar. Ook hier zijn de meningen verdeeld maar de gezaghebbende Misjna Beroera bepaalt, dat men hierbij de eerste Adar aanhoudt.
