- Sjemot 33,12 – 34,26
Met het Loofhuttenfeest zitten we onder een doorzichtig loofdak. De Hemel moet constant zichtbaar zijn. We laten zien, dat we naar direct contact met het Opperwezen verlangen. Dit kan heel concreet vorm krijgen door een verzoek aan G’d om Zijn essentie te mogen kennen. Voor de meeste mensen is dit veel te hoog gegrepen. Voor Mosje was dit harde realiteit.
Totaal gezuiverd en vergeestelijkt
Hij kwam zo dicht bij G’d dat hij het onmogelijke verlangde. De Zohar (mystiekleer) vraagt hoe Mosje aan G’d durfde te vragen om Zijn Wezen te mogen leren kennen. Dit kwam doordat Mosje veertig dagen en veertig nachten zonder eten en drinken op de berg Sinaï doorgebracht had. Mosje meende dat zijn lichaam totaal gezuiverd en vergeestelijkt was. Hij dacht dat hij als uitzondering toch in staat zou zijn tot het wezen van G’d door te dringen.
G’ds gram
Dit geschiedde alles na de zonde van het gouden kalf. De relatie met het Opperwezen was zwaar beschadigd. G’d wilde eigenlijk niet meer met het volk optrekken. Het volk was erg opstandig en tegendraads. G’d vreesde hen te vernietigen wanneer ze weer afvallig zouden zijn (Sjemot/Ex. 33:5):
“G’d had namelijk tegen Mozes gezegd: Zeg tegen de Israëlieten: U bent een halsstarrig volk. Als Ik ook maar één ogenblik in uw midden zou meetrekken, dan zou Ik u vernietigen.”.
Oplossing: afstand
De oplossing zou zijn het joodse volk niet meer direct door G’d te laten leiden maar door een Engel. G’d zou afstand nemen van het joodse volk. Mosje hield echter een vurig betoog om G’d ertoe te bewegen zich weer persoonlijk te ontfermen over het joodse volk.
Voor Mosje was dit essentieel. Mosje wou geen Engel. Alleen G’d Zelf zou voldoen. Mosje zag voor het joodse volk alleen een rol als G’ds volk weggelegd als G’d Zich persoonlijk met het joodse volk zou bezighouden.
De discussie in de Tora
Op Sjabbat van Soekot lezen wij over deze discussie tussen G’d en Mosje (Ex. 33: 12-17):
“Toen zei Mosje tegen G’d: Zie, U zegt tegen mij: Laat dit volk verdertrekken. U echter, U hebt mij niet laten weten wie U met mij meezendt, terwijl U Zelf gezegd hebt: Ik ken u bij uw naam, en ook: U hebt genade gevonden in Mijn ogen. Nu dan, als ik dan genade heb gevonden in Uw ogen, maak mij toch Uw weg bekend. Dan zal ik U kennen, opdat ik genade zal vinden in Uw ogen. En zie aan dat deze natie Uw volk is. En Hij zei: Moet Mijn aangezicht meegaan om u gerust te stellen? Toen zei hij tegen Hem: Als Uw aangezicht niet meegaat, laat ons dan van hier niet verdertrekken”.
Doorgaan als joods volk
Mosje zocht geen eer voor zichzelf. Hij begreep dat het joodse volk alleen door een intense band met G’d de geschiedenis zou doorkomen en de Messiaanse tijden zou halen als G’ds volk. G’d gaf hem gelijk en herstelde de band.
Persoonlijk verzoek
Daarna had Mosje nog een persoonlijk verzoek om het Opperwezen nader te leren kennen (ibid. 18-20).
“Toen zei Mozes: Toon mij toch Uw heerlijkheid! Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal”.
Onmogelijk G’d te zien en te blijven leven
“Hij zei verder: U zou Mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens kan Mij zien en in leven blijven. Ook zei G‘d: Zie, hier is een plaats bij Mij, waar u op de rots moet gaan staan. En het zal gebeuren, als Mijn heerlijkheid voorbijtrekt, dat Ik u in een kloof van de rots neer zal zetten en u met Mijn hand zal bedekken totdat Ik voorbijgegaan ben. En zodra Ik Mijn hand wegneem, zult u Mij van achteren zien, maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden” (Ex. 33:21-23).
Naar de zon kijken
G’d zien is onmogelijk. Niettemin vraagt Mosje dit. Geen mens kan dit aan. Zodra G’d Zijn ‘heerlijkheid’ of ‘goedheid’ openbaart, vliegt de ziel het lichaam uit, G’d tegemoet. We sterven dan.
G’ds voorkant voor altijd onzichtbaar
Mosje mocht niettemin iets persoonlijks van G’d zien: Zijn achterkant. G’ds voorkant blijft echter onzichtbaar. Sommige geleerden zien hierin ‘negatieve theologie’: wij kunnen over G’d niet zeggen wat hij is of kan. Alleen wat G’d niet is, kunnen we enigszins verwoorden. Onze menselijke tekortkomingen zullen we nooit kunnen overwinnen.
