Door: Jisrael Jitschak Rosenfeld
Op Tisja Be’Av reciteren velen de Kina (klaagzang):
„Ween, Tsion en haar steden, als een vrouw in barensnood.”
Over deze Kina schrijft de Rebbe van Berditsjev zts”l:
„Wanneer een vrouw begint te bevallen, ervaart zij doorgaans vreselijke en hevige pijn.
Maar daarna
– zodra zij het kind ter wereld heeft gebracht – ervaart zij een onmetelijke vreugde.
En de mensen om haar heen?
Zelfs te midden van haar pijn voelen zij al vreugde,
want zij weten met zekerheid
dat er een kind geboren zal worden,
of het nu een zoon of een dochter is,
en dat is in werkelijkheid de grootste vreugde die er bestaat.
Wat de vrouw zelf betreft:
Zodra zij is bevallen,
maakt de pijn plaats voor vreugde.
Alleen tijdens de bevalling zelf is er pijn.
In werkelijkheid verheugt ook HaSjeem Zich hierover, want HIJ weet
dat de pijn slechts tijdelijk is.
Daarna zal Hij alles opnieuw opbouwen,
– met grotere schoonheid,
grotere kracht en groter licht.”
De ARI z”ל (de Ari HaKadosj) leert:
Op Tisja Be’Av wordt de ziel van de Masjiach geboren.
Onze diepste awoda (geestelijke dienst) op deze dag is het huilen.
De Kinot (klaagliederen)
te veranderen in Tikkoen (herstel en genezing).
De ziel van de Masjiach,
die in ieder van ons aanwezig is,
naar buiten te brengen.
Moge het ons vergund zijn de barensweeën te voelen –
en de nesjama (ziel) van de Masjiach ter wereld te brengen,
met vreugde en met geloof.
