Joods! Tora leren en leven.

HaSjeem wil, dat iedereen zijn afgoden verlaat

HaSjeem schenkt succes aan iedereen, die Hem dient, zoals Avram

HAFTARA LECH LECHA Jesjaja hoofdstukken 40 en 41

In 41:5 zegt Jesjaja met het oog op afgodendienaren: `de eilanden zien het met angst en beven, de einden van de aarde komen sidderend naderbij’. Met de eilanden worden eilandbewoners bedoeld, die hoorden van de wonderen, die G’d voor Avram deed. Speciaal wordt hier gerefereerd aan de oorlog die Avram met de vier koningen voerde.

Wat was er gebeurd? In de Sjiddimvallei leverden vijf koningen slag met de vier andere: koning Kedorlaomer van Elam, koning Tidal van Goïm, koning Amrafel van Sinear en koning Arjoch van Ellasar. Hun tegenstanders maakten alles buit wat de inwoners van Sedom en Gomorra bezaten. Ook Lot, de zoon van Avrams broer Charan, voerden ze weg (Lot woonde in Sedom).

Malkitsedek was Sjeem, de zoon van Noach

Toen Avram hoorde dat Lot gevangen genomen was, bracht hij iedereen op de been die met wapens kon omgaan – 318 in getal – en achtervolgde Kedorlaomer. ’s Nachts viel hij hen met zijn mannen van verschillende kanten tegelijk aan, versloeg hen en redde  zijn neef Lot.

Malkitsedek (dit was Sjeem, de zoon van Noach, voorvader van alle Semieten), de koning van Salem (Jerusalem) liet brood en wijn brengen. Hij was een priester van G’d en sprak een zegen over Avram uit. Avram gaf Malkitsedek een tiende van wat hij had heroverd.

Avram en Sjeem: religieuze hoogvliegers

HaSjeem wil, dat iedereen zijn afgoden verlaat. HaSjeem schenkt succes aan iedereen, die Hem dient, zoals Avram.

Religieuze eilanden, Avram en Sjeem

Een tweede verklaring wil dat de `eilanden’ slaan op Avram en Sjeem, de zoon van Noach.

Zij waren als religieuze eilanden die met kop en schouders boven de afgodische menigte uit toornden. Na de oorlog met de koningen waren beide ‘eilanden’ Avram en Sjeem bang voor elkaar. Avram had veel van Sjeems nakomelingen gedood en Sjeem schaamde zich voor zijn slechte kleinkinderen.

Maar `De mensen schieten elkaar te hulp, de een zegt tegen de ander: ‘Houd moed!’ (41:6). Geen van beide tsadikiem was kwaad op de ander: integendeel ze steunden elkaar. Sjeem gaf Avram een beracha, een zegen. Avram gaf Sjeem, die ook Malkitsedek heette een tiende van de buit om degenen, die G’d dienen te steunen.

“Wees niet bang, worm Ja’akov, mensen van Israel, Ik heb u geholpen, zegt Hasjeem, Uw verlosser is de Heilige van Israel” (41:14).

Het Joodse volk is bescheiden en ingetogen. Daarom zijn zij bij G’d geliefd. Zij zien zichzelf als een eenvoudige worm, en zijn – zeker in goles, de ballingschap – machteloos tegenover de overmacht aan volkeren.

Maar in een ding schuilt de kracht van het Joodse volk: hun mond. Gelijk een aantal wormen samen met hun mond grote bomen kunnen vellen, kunnen de Bnee Jisraeel door hun tefillot (gebeden) veel ten goede bewerkstelligen.

Gebrek aan emoena

Maar de uitdrukking ‘worm Ja’akov’ heeft nog een tweede, een historische, betekenislaag. We gaan in de geschiedenis terug tot Joseef, die na het overlijden van Ja’akov besluit hem te balsemen om hem na een lange reis in Israel, in de spelonk de Machpela, te kunnen begraven.

G´d verwijt Joseef gebrek aan emoena, geloof in de grootheid van zijn vader. Ja´akov was een ongekende tsaddiek. Het lichaam van grote tadikkiem ontbindt niet en valt niet ten prooi aan wormen. Door dit gebrek aan emoena, geloof in de grootheid van zijn vader, leefde Joseef korter dan al zijn broers. Hoewel hij de een na jongste zoon van Ja´akov was, stierf hij als eerste.

 “Degenen, die op G’d hopen, zullen zich sterken, zij zullen vleugels krijgen als adelaren. Zij zullen rennen en niet vermoeid raken, zij zullen gaan zonder moe te worden” (40:31). In de tijd van de uiteindelijke verlossing zullen we begrijpen waar alles goed voor was. Vliegend zullen we terugkeren naar Israel. Onze kracht blijkt in de loop van de geschiedenis onze aanhankelijkheid aan de Tora te zijn geweest. Daarin zijn we ernstig te kort geschoten. Aan het eind van de geschiedenis zal alles recht getrokken worden.

Hasjeem, G’d, staat nog steeds aan het roer: “Zwijg tegenover Mij, o eilanden, laat de volkeren hun krachten bundelen, laten zij naderen, dan kunnen zij spreken. Samen zullen wij tot een rechtzaak naderen” (41:1). De profeet brengt voorbeelden uit de geschiedenis die laten zien hoe Hasjeem gerechtigheid over de wereld brengt: “Wie heeft opgewekt uit het Oosten, overal waar hij ging heeft hij gerechtigheid geproclameerd. Wie heeft volkeren in zijn hand overgegeven en hem laten heersen over koningen?” (41:2). De profeet spreekt hier over Avram, die vanuit het Oosten werd opgewekt om het G’dsgeloof in de wereld te verspreiden. Avram werd vanwege zijn geloof vervolgd maar uiteindelijk gaf G’d hem al zijn vervolgers in zijn macht. Dit slaat op de oorlog tegen de vier koningen in de parsja. Een van hen was Nimrod of Amrafel, die Avram eerst probeerde te doden door hem in de vuuroven te gooien. Later won Avram een oorlog tegen hem. Het kan verkeren…

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.