Er bestaan verschillende soorten berachot of zegenspreuken.
- Soms zeggen wij berachot over (lichamelijke) genietingen. Dit zijn de birchot hanehenien.
- Birchot hamitswot zijn de zegenspreuken, die wij zeggen over het uitvoeren van de geboden.
- Als derde categorie kennen wij de de birchot hoda’a, de dankberachot over de mooie dingen, die ons overkomen.
![]()
AL NETILAT JADAJIEM is een typisch voorbeeld van een birkat hamitsvot – een bracha over een opdracht van Hasjeem, G’d. We wassen onze handen ’s ochtends:
- Omdat we als een nieuw schepsel herboren opstaan.
- Omdat we tijdens de slaap dingen hebben aangeraakt, die handenwassen vereisen volgens de halacha, de Joodse voorschriften.
- Omdat er tijdens de slaap een wat `onzuivere’ geest over ons komt, die met het ontwaken grotendeels verdwijnt maar nog wel op de handen achterblijft.
- We beginnen ’s ochtends weer aan de religie. In de Tora wordt het Joodse volk vergeleken met een “koningkrijk van priesters en een heilige natie”. Kohaniem, priesters in de Tempel, moesten volgens de Tora hun handen wassen voor de aanvang van de dienst. Ons gebed komt in plaats van de Tempeldienst.
- Om ons te herinneren aan onze `verheffende opdracht’. Al netilat betekent letterlijk: ‘’het opheffen van de handen’’. Wij wassen onze handen om ons er aan te herinneren, dat wij onze aardse werkzaamheden op een hoger plan moeten tillen.
ASJER JATSAR – is een dankberacha voor het lichaam.
We zeggen asjer jatsar omdat:
- Dankbaarheid. We dankbaar zijn over het wonderlijk functioneren van het lichaam.
- Verwondering. We iedere ochtend weer verbaasd staan over de complexiteit van de lichamelijke processen. We hoeven niet eens de natuur onder de loupe te nemen. Ons eigen lichaam is al een `staaltje van technisch vernuft’.
Dat uit zich alleen al in het feit, dat het lichaam veel holle organen en openingen heeft. Toch blijft de ziel behouden in het lichaam en loopt ons lichaam niet leeg als een ballon met een gaatje.
- G’ddelijkheid van het lichaam. Wij het lichaam bezien als iets heiligs en niet alleen als een verachtelijke `zak beenderen’. Dit heeft veel halachische gevolgen.
- Fysiek Jodendom. Wij het Jodendom zowel spiritueel maar ook duidelijk fysiek beleven. Jodendom is voornamelijk praktijk- en lichamelijk gericht. Daarom is de zuiverheid van het lichaam essentieel bij de tefilla, het gebed.
- Samenhang aardse en Hemelse werelden: Het Jodendom een parallelistisch wereldbeeld hanteert waar Hemelse processen parallel kunnen lopen met aardse. Zo worden zelfs lichamelijke processen met psychische ontwikkelingen vergeleken.
ELOKAJ NESJAMA – zeggen wij elke morgen en is een dankberacha voor de ziel.
Wij danken G’d omdat
- Verwondering. Het een wonder is hoe ziel en lichaam verbonden zijn. Sinds de oudheid heeft de mensheid zich hierover verbaasd. Gelijk G’d Zich met de wereld verbindt, is de ziel met het lichaam verbonden.
- Reinheid: onze ziel niet zondig maar absoluut rein geboren wordt. Wij kennen geen erfzonde. Onze taak is onze ziel rein te houden.
- Autonoom bestaan: wij beseffen, dat onze ziel niet het product is van onze hersenen maar door G’d gegeven is.
- G’ddelijk: onze nesjama, hogere ziel een weerspiegeling is van G’ddelijke elementen, waardoor wij in contact kunnen treden met G’d. Daarzonder hadden we geen `tool’ gehad om contact te maken met het Hogere. G’d heeft ons die ziel ingeblazen. Als zodanig is het reeds G’ddelijk. Het G’ddelijke benadrukt het unieke van de mens.
- Zingeving: wij alleen met onze nesjama zin, betekenis en heiligheid kunnen geven aan ons aards en uiterst vergankelijk bestaan.
- Verheffing: wij alleen met onze nesjama ons aardse bestaan in contact kunnen brengen met het Hogere.
- Eeuwigheid: wij ook voortbestaan na het vergaan van het lichaam. Onze ziel legt in de Hemel rekening en verantwoording af. Bij de herleving van de doden zal de ziel weer in een aards omhulsel terugkeren.
Genots-berachot nader geanalyseerd
In hetzelfde hoofdstuk van de Tora – waar ons beloofd is, dat wij in het land Israël “aan niets gebrek zullen hebben” (Deut. 8:9), gaat de Tora over van belofte naar verplichting: “Als U nu gegeten heeft en verzadigd bent, dan moet U G’d loven voor het goede land, dat Hij U gegeven heeft” (ibid. 8:10). Dit is de bron voor het leerstuk van de berachot – zegenspreuken – die door de Tora in eerste instantie worden voorgeschreven na het eten van brood. De Chagamiem, Wijzen hebben dit verder uitgewerkt in een heel systeem van voor- en na-berachot over alle genietingen. In onze huidige consumptiemaatschappij bieden na-berachot enig tegenwicht tegen de neiging te denken dat “mijn kracht en macht dit vermogen hebben verworven” (ibid. 8:17). Door het zeggen van berachot voor en na het eten, proberen wij bij iedere hap te herinneren dat het G’d is die ons kracht en inzicht geeft om onze aardse missie met succes te volbrengen.
Dankbaarheid
Berachot leren ons dat niets in deze wereld vanzelfsprekend is. Bovendien hebben we nergens recht op; dit ligt ook in de structuur van de Tora ingebed. Anders dan bijvoorbeeld de seculiere wet, die hoofdzakelijk een systeem van rechten vormt, is de Tora voornamelijk een plichtenleer die ons opvoedt met een bewustzijn en een gevoel van dankbaarheid. Het Westerse denken is voornamelijk antropocentrisch gericht: de mens als centrum van het universum. De Joodse cultuur is theocentrisch van aard: G’d staat in ons denken centraal. Dankbaarheid vormt de basis van onze levensfilosofie en dit gevoel wordt soms zeer ver doorgevoerd. Zelfs de dode materie wordt dus in dit dankbaarheidsdenken geïncorporeerd. Niets is zomaar. Alles is van een G’ddelijke intentie doordrongen. Kabbalisten verwonderen zich over het merkwaardige fenomeen dat dode materie, flora en fauna ons levenskracht schenken. De mens, die oneindig veel hoger lijkt te staan dan de mineralen, het planten- en dierenrijk, is hiervan niettemin volledig afhankelijk. In het Berachot-systeem wordt iedere keer opnieuw benadrukt dat de mens “niet leeft bij brood alleen” (Deut. 8:3). Iedere hap vormt een samenspel tussen lichaam en geest. De verwevenheid van lichaam en geest heeft ook erkenning gevonden in de medische wereld onder de titel ‘psychosomatiek’.
Kan het G’d werkelijk wat schelen?
Vaak wordt ons de vraag gesteld of het G’d werkelijk wat kan schelen wat, en hoe, wij eten. Sinds de Emancipatie is de twijfel toegeslagen. De school van Aristoteles zegt van niet. Sommigen zochten een compromis door te stellen dat G’d Zich zou bezighouden met de grote lijnen van Zijn Schepping maar geen aandacht zou hebben voor de details en al helemaal niet voor de individuele mens. Toch is het onze Joodse levensovertuiging, zoals verwoord door de Psalmist, dat “Zijn genade zich uitstrekt over al Zijn schepselen” (Psalm 145). Rabbi Samson Rafaël Hirsch (1808-1888) stelt duidelijk, dat de Joodse voorschriften ons gevoelig moeten maken voor onze verheven opdracht. De term kosjer wijst ook in die richting. Kosjer betekent geschikt. Treife voedsel heet in de Tora tamee (lett: onrein). Chazal – onze wijzen – brengen de term tamee in verband met het woord timtoem. Dit betekent verstopping of blokkade. Kosjer eten maakt ons geschikter en gevoeliger voor het spirituele. Tamee consumptie blokkeert onze potentie ons steeds verder spiritueel te ontwikkelen.
Wat en hoe
Het kasjroet bepaalt wat wij eten, de berachot richten onze aandacht op de manier waarop. Het Joodse eten geschiedt niet gedachtenloos. Integendeel: iedere keer dat wij op het punt staan iets tot ons te nemen, verklaren wij “Baroech atta Hasjeem”. ‘Baroech’, dat normaliter vertaald wordt als ‘geprezen’, betekent ook ‘naderbij gebracht’. Door iedere beracha wordt ons besef van het G’ddelijke sterker. Daarna erkennen wij G’d als Koning over de wereld. De Aristotelische filosofen spreken over een ongeïnteresseerde en afstandelijke G’d. Wij erkennen Hasjeem als de Almachtige die over ieder detail beschikt. Wij zeggen over ieder kosjer geschenk uit de Hemel dankbaar een zegenspreuk. Wij bezien G’d vanuit iedere scheppingsvorm die ons tevens kracht schenkt. Berachot verschillen naar de aard van het voedsel. Berachot dwingen ons om stil te staan bij de eigen geaardheid van iedere vrucht, bij ieder detail in G’ds wereld.
Regels en besef
De hoofdregel in het berachot-systeem luidt dat we voor elk product dat wij eten de meest specifieke beracha moeten zeggen. Filosofie is op zoek naar het universele. Het Jodendom wil zoveel mogelijk rekening houden met het bijzondere. Over dode materie – van water tot vlees – zeggen wij de algemene beracha ‘sjehakol’ – alles is op G’ds woord ontstaan. Zodra wij geconfronteerd worden met een hogere ontwikkeling in de Schepping, worden we specifieker. Over aardvruchten zeggen we doorgaans ‘ha’adama’ – G’d als Schepper van de aardvrucht. Na de aardgewassen werden de vruchtbomen geschapen (Gen. 1), weer een trede hoger. Daarover zeggen we ‘ha’eets’ – G’d als Schepper van de boomvrucht.
Chasjivoet: de regel van belang en gewicht
Naast de hoofdregel van specificatie bestaat in het berachot-systeem een tweede hoofdregel, die ik ‘de regel van belang en gewicht’ zou willen noemen (chasjivoet). Belangrijke consumptie wordt door een aparte beracha ingeleid. Wijn en brood, die ook in de Tempeldienst een speciale functie hadden in de vorm van plengoffers en meeloffers, worden speciaal apart vermeld: ‘hamotsie’ – G’d doet het brood uit de aarde ontspruiten – over brood en ‘hagafen’ – G’d als Schepper van de druiven – over wijn. Ieder hoogtepunt van het Joodse leven wordt met wijn ingezegend. Deze tweede hoofdregel werkt ook door in andere details. Zo mogen wij alleen `ha’eets’ zeggen over rijpe boomvruchten waarvan het hoofdbestanddeel wordt gegeten. Een geconfijte schil voldoet hier dus niet aan. Belangrijk is dat de vorm, of het uiterlijk, van de oorspronkelijke vrucht nog herkenbaar is. Ook moet de vrucht in de oorspronkelijke vorm gegeten worden. Dit betekent dus dat men over noten, die normaliter rauw worden gegeten, geen `ha’eets’ zegt wanneer deze vruchten bijvoorbeeld gekookt zijn. In gekookte toestand zijn ze niet meer belangrijk genoeg voor `ha’eets’. Bovendien moeten de boomvruchten voor de beracha `ha’eets’ speciaal gekweekt zijn. Over in het bos geraapte tamme kastanjes zegt men bijvoorbeeld `sjehakol’ en niet `ha’eets’. Dit tweede principe geldt ook voor aardvruchten: hierover zeggen we alleen `ha’adama’ als de identiteit van de vrucht nog duidelijk herkenbaar is en het op gebruikelijke wijze wordt gegeten (bijvoorbeeld aardappels gekookt maar komkommers rauw).
Het voorrangsprincipe
Stel, dat er op tafel vele vruchten liggen. Over de verschillende boomvruchten zeggen we dan slechts
- éénmaal `ha’eets’ over alle boomvruchten tezamen en
- éénmaal `ha’adama’ over alle aardvruchten tezamen.
De enige vraag die nog resteert is over welke vrucht we het eerst de beracha zeggen. Bij een gemengde tafel van aard- en boomvruchten gelden de volgende regels:
- het eerst zeg je de beracha – of dit nu `ha’eets’ is of `ha’adama’- over die vrucht, die je meestal het lekkerst vindt;
- als die niet te vinden is, zeg je als eerste een beracha over die vrucht, die je nu het lekkerst vindt;
- als ook die niet aanwezig is, houd je de Tora-volgorde (Deut. 8:8) aan: a. olijf; b. dadel; c. druif; d. vijg; e. granaatappel;
- als ook die volgorde je niet helpt, dan heeft een volledige (i.t.t. een opengesneden) vrucht de voorrang;
- en als je in het voorgaande geen voorrang kunt vinden, dan gaat `ha’eets’ boven `ha’adama’.
Nog enkele praktische tips, voordat U toehapt:
- fruit-cocktails uit de fabriek (d.w.z. met kleine stukjes) eisen slechts één beracha (`ha’eets’ of `ha’adama’). Je kijkt dan alleen naar de meerderheid van de bestanddelen. Zelf gefabriceerde fruitcocktails met grotere stukken vereisen echter een beracha over iedere soort apart volgens de eerder genoemde regels;
- over jus d’orange, waar het sap slechts uit de vrucht geperst is, zeggen we `sjehakol’. Waar het sap of de smaak van de vrucht eruit gekookt is, zeg je over het vocht de beracha van de vrucht. Over pruimensap zeg je `ha’eets’ en over tomatensap `ha’adama’;
- berachot over soep met meerdere bestanddelen is specialistenwerk. Raadpleeg uw rabbijn;
- bij een gerecht met hoofd- en bijzaken zegt men meestal slechts de beracha over de hoofdzaak. Rijstepudding met rijst, rozijnen, kaneel etc.etc. vereist alleen mezonot;
- als men twee even belangrijke voedselsoorten eet, zegt men twee berachot. Dan wordt de meest specifieke beracha eerst gezegd: bij koffie en cake zegt men dus eerst mezonot en pas daarna `sjehakol’.
Het leerstuk berachot is zeer ingewikkeld. Vroeger werden rabbijnen voor hun semiecha (diploma) juist hierover overhoord.
