Joods! Tora leren en leven.

Het Jodendom als wettische religie

Het Jodendom is verankerd in een aantal juridische grondpijlers.

De Sjoelchan Aroech, het grote Joodse wetboek van Rabbi Joseef Karo (1488-1575) is hier een samenvatting van. Sjoelchan Aroech betekent letterlijk: “gedekte tafel” omdat de auteur de Joodse wet zo duidelijk en overzichtelijk mogelijk wilde weergeven.

Het Joodse wetboek vormt de kern van het Jodendom. Kennis van dit wetboek legt de basis van het Jodendom bloot. Hierzonder is de essentie van het Jodendom niet begrepen.

Elders heb ik de ontstaansgeschiedenis van het encyclopedische Joodse wetboek Sjoelchan Aroech geschetst. Als geheugenopfrisser citeer ik nog even de laatste gegevens.

De Sjoelchan Aroech werd als eerste in Venetië gedrukt in 1565. Aanvankelijk bestond er veel weerstand tegen dit wetboek van alleen maar regels en voorschriften.

Men had veel bezwaar tegen dit nieuwe werk, omdat het niet de Talmoedische discussies weergaf, die ten grondslag lagen aan de halachische (juridische) beslissingen van Rabbi Joseef Karo, zoals in alle voorgaande Joodse wetboeken wel gebruikelijk was.

Kritiek

Rabbi Sjlomo Luria (1510-1573, Polen) was de sterkste opponent van de Sjoelchan Aroech. In zijn werk “Jam sjel Sjelomo” uit hij zich als een tegenstander van alle vastgelegde codificaties en wetschrijvingen. Deze doen tekort aan de flexibiliteit van de Talmoed.

Ieder wetboek is weer oorzaak van nieuwe commentaren. In feite werkt het schrijven van een wetboek averechts. Men wil alles voor de komende generaties vastleggen in uitgekristalliseerde regels maar komt bedrogen uit. De enige echte bron voor de halacha, de Joodse wet, blijft de Talmoed.

Aanvaarding

Maar de Sjoelchan Aroech werd uiteindelijk als een van de belangrijkste Joodse wetboeken aanvaard nadat vele amendementen door Rabbi Mosje Isserles (1520-1575) en andere commentaren van latere halachische autoriteiten waren toegevoegd.

Rabbi Joseef Karo was een Sefardi, Orientaalse Jood en hield geen rekening met halachische, Joods-wettelijke beslissingen van de Asjkenazische, Duitse autoriteiten en Westerse minhagiem (gebruiken).

Aanvulling

Rabbi Mosje Isserles valt Rabbi Joseef Karo niet aan maar vult hem alleen maar aan. Hij bekritiseert in zijn Hagahot (opmerkingen) Rabbi Joseef Karo niet. Hij legt alleen maar uit wat de Asjkenazische gewoonten zijn.

De halacha (voorschriften) van Rabbi Joseef Karo geeft de Sefardische beslissingen weer en die is anders dan de beslissingswijzen die bij de Asjkenazische Joden zijn geaccepteerd.

Rabbi Mosje Isserles, de Rema (1520-1575) geeft de Asjkenazische minhag. Hij brengt de halacha en gewoonten, zoals die in Polen en Duitsland gebruikelijk waren tussen de Asjkenaziem.

Sjawoeot, het Wekenfeest

In dit artikel wil ik de inhoud van de Sjoelchan Aroech met U doornemen door voorbeelden van de halachot die Rabbi Joseef Karo beschrijft met U te behandelen. Omdat de Jom Tov, de feestdagen van Sjawoeot, het Wekenfeest het meest actueel zijn op dit moment, behandel ik met U de voorschriften van de birkat kohaniem, de priesterzegen, zoals deze vastgelegd zijn in de Joodse wet, in hoofdstuk 128 van het eerste deel van de Sjoelchan Aroech.

Systematische wetschrijving

Opvallend is de systematische en wettische wijze waarop dit onderwerp behandeld wordt, hetgeen exemplarisch is voor de Joodse voorschriften. Letterlijk vertalen van de Sjoelchan Aroech in de landstaal leidt altijd tot onleesbaarheid.

Daarom treft U hieronder een beknopte samenvatting van dit cluster voorschriften uit de Sjoelchan Aroech, waarin

  • de systematiek van bron tot praktijkvoorschrift,
  • de juridische wijze van formuleren van de voorschriften,
  • de precisie van de bewoordingen, en
  • de degelijkheid, grondigheid en uitputtendheid naar voren komt.

De priesterzegen

Het is een mitsva (gebod) van de Tora, een Bijbels gebod voor de Kohaniem, priesters om het volk te zegenen, zoals er geschreven staat: (Ba­midbar/Numeri 6:23): „Zo zullen jullie de Israëlieten zegenen”.

Iedere Koheen die niet ergens door verhinderd wordt en die niet de Doechan, het podium of de verhoging vóór de Ark aan de oostzijde van de synagoge opgaat om het volk te zegenen, overtreedt een gebod uit de Tora.

Alleen op Jom Tov (feestdag)

In de landen buiten Israel is het de gewoonte om de priesterzegen alleen te geven op Jom Tov, omdat men dan reeds in blijde stemming is vanwege de Jom Tov.

Op Jom Kippoer, Grote Verzoendag, is men blij omdat de zonden vergeven worden en „een blij hart zegent”.

Dat geldt echter niet voor andere dagen, en zelfs op de overige Sjabbatot van het jaar is men bedrukt en bezorgd over zijn levensonderhoud en bang dat men zijn baan verliest.

Zelfs op Jom Tov geeft men de pries­­­ter­­zegen alleen met Moesaf, het extra gebed want daarna mag men de sjoel verlaten en kan men zich pas echt verheugen over de Jom Tov.

In onze landen is het niet de gewoonte om op een Jom Tov die op Sjabbat valt de pries­ter­zegen te geven, behalve op Jom Kippoer, zelfs als die op Sjabbat valt, dan geeft men wel de priester­zegen. Op sommige plaatsen geeft men de priesterzegen ook als Jom Tov op Sjabbat valt, en dat is beter.

Minjan (quorum van tien man)

De priesterzegen wordt alleen uitgesproken wanneer tien mannen aanwezig zijn, met inbegrip van de Kohaniem, want zij zijn ook inbegrepen in de Beracha (zegen), zoals er geschreven staat (Bamidbar 6:27): „En ik zal hen (ook de Kohaniem) zegenen”.

Nuchter

Voordat de Kohaniem de Birkat Kohaniem gezegd hebben, mogen zij geen wijn of andere alcoholhouden­de drank drinken. Wanneer een Koheen zich zwak voelt en wat koek wil eten vóór Moesaf (het extra gebed) dan moet hij naar de Kiddoesj van iemand anders luisteren.

Handen overgieten

Voordat hij de Doechan (het podium) opgaat, moet de Koheen eerst zijn handen overgieten tot aan zijn polsen, zoals de Kohaniem in het Beet Hamikdasj (Tempel) hun handen heiligden voor de dienst, zoals er geschreven staat (Psalm 134:2): „Heft jullie handen op in heiligheid en zegent Hasjeem (G’d)”.

Er bestaat twijfel over of zij voor dit handen was­sen een Beracha (zegenspreuk) moeten zeggen of niet, omdat zij al de Beracha Al Netilat Jadajiem (over het handenwassen) gezegd hebben bij het op­staan in de ochtend. En in geval van twijfel over een Beracha is het gebruikelijk die niet te zeggen.

Wanneer hij in­tussen een onreine plaats heeft aangeraakt, dan is het gewenst dat hij een Beracha (lofzegging) zegt over dit handen­ was­sen, maar dat is niet de gewoonte. Een G-dvrezende Koheen let er zorgvuldig op, dat hij, nadat hij zijn han­den ’s morgens gewassen heeft, hij daarmee geen onreine plaats van zijn lichaam aanraakt, zodat hij niet nog­maals de Beracha hoeft te zeggen.

Handenwassen door een Leviet

Een Leviet giet het water over de handen van de Kohaniem, zoals er geschreven staat (Bamidbar 18:2): „En ook je broeders, de stam Levi (…) moet je nader tot jou brengen, opdat zij zich bij jou zullen voegen en je zullen dienen”.

Wanneer er geen Leviet aanwezig is, dan moet een Bechor (eerstgeborene), die heilig is vanaf de geboorte water gieten over hun handen. En wanneer er ook geen eerstgeborene aanwezig is, dan mag de Koheen het zelf doen. Wanneer de handen van de Leviet of de Bechor die het water overgiet, niet schoon zijn, moet hij ze eerst wassen.

Zonder schoenen

Het is verboden de Doechan op te gaan met schoenen aan. De Koheen moet zijn schoenen uitdoen voordat hij zijn handen wast . Hij moet er goed op letten dat hij zijn schoenen onder de banken verbergt, zodat zij niet te zien zijn, uit respect voor de gemeente.

Retsee

Wanneer de Chazzan bij de herhaling van de Sjemonee Esree met Retsee begint, horen alle Kohaniem van hun plaats op te staan en de Doechan op te gaan. Zij moeten hun handen voordien gewassen hebben, opdat zij met schone handen de Doechan op kunnen gaan als de Chazzan Retsee zegt, en zij gereed zijn voor de Beracha. Wanneer zij hun handen na Retsee gewassen hebben, is het acceptabel.

Wanneer de Kohaniem de Doechan opgaan, blijven zij daar staan met hun gezicht gekeerd naar de Ark, die aan de oostzijde staat en daar zeggen zij Modiem DeRabbanan (het gebed dat de Geleerden hebben ingesteld en dat de gemeente moet zeggen wanneer de Chazzan Modiem zegt bij de herhaling van Sjemonee Esree) samen met de gemeente.

Met liefde

Daarmee roept de Chazzan de Kohaniem op om hun Beracha te zeggen. De Kohaniem zeggen gezamenlijk: „Gezegend bent U, Hasjeem, Koning van de wereld, die ons gewijd heeft met de heiligheid van Aharon”, en op dat moment draaien zij zich om met hun gezicht naar de mensen en beëindigen de Beracha met: „en Die ons geboden heeft het volk Israël te zegenen met liefde”.

De woorden „met liefde” (aan het eind van de Beracha) duiden erop, dat als men een hekel heeft aan de Koheen of als de Koheen een hekel heeft aan de mensen, hij niet zijn handen mag opheffen voor de priester­zegen en deze ook niet mag uitspreken.

Aandacht

Wanneer de Kohaniem het volk zegenen, kijken zij niet in het rond en laten hun aandacht niet afleiden, maar hun ogen zijn naar beneden gericht, als bij de Tefilla, en het publiek concentreert zich op de Beracha, met hun gezichten gericht naar de Kohaniem.

Zij mogen echter niet naar hen kijken. Ook de Kohaniem zelf mogen niet naar hun handen kijken. Het is de gewoonte dat zij hun Talliet over hun hoofd draperen. Ook de mannen in sjoel draperen hun Talliet over hun hoofd, opdat zij niet kijken.

Vóór de Kohaniem staan

De mensen die achter de Kohaniem staan, ontvangen de priesterzegen niet, tenzij zij daar gedwongen staan, maar allen die aan de zijkant van de Kohaniem vóór hen staan, ontvangen wel de Beracha.

Als de Ark uit de muur naar voren steekt, en er mensen (naast de Ark) bij de oostelijke muur staan, dan staan zij achter de Kohaniem en dan moeten zij wat naar achteren lopen zodat zij minstens opzij, vóór de Kohaniem staan. Als dat onmogelijk is, dan staan zij daar noodgedwongen en geldt de Beracha ook voor hen.

Woord voor woord

De Chazzan, voorganger, leest de priesterzegen woord voor woord voor aan de Kohaniem, en zij herhalen ieder woord, totdat zij het eerste vers beëindigd hebben, waarop men antwoordt met Ameen. Zo ook na vers twee en drie.

De Chazzan zegt het niet uit zijn hoofd op maar leest het uit een Siddoer voor, opdat hij zich niet zal vergissen.

Concentratie

Terwijl de Kohaniem de woorden (van de Beracha, zegen) zeggen, mag het publiek geen enkel vers citeren, maar moeten zij zorgvuldig en met aandacht luisteren naar ieder woord dat uit de mond van de Kohaniem komt. Want een dienaar heeft niets aan een Beracha waarmee hij gezegend wordt, als hij daar niet naar luistert en zich niet op de Beracha concentreert. En wie verzen citeert, kan zich niet op de Beracha concentreren.

Sommigen citeren wel verzen maar zij moeten ervoor oppassen dat zij die alleen zeggen als de Chazzan of de Kohaniem de melodie zingen en niet wanneer zij de woorden uitspreken.

Ameen

De Kohaniem mogen de Beracha Asjèr Kiddoesjanoe enz. niet beginnen, voordat de voorlezer  het woord Kohaniem volledig heeft uitgesproken. En de voorlezer mag niet beginnen met Jevarèchecha voordat heel de gemeente Ameen gezegd heeft.

En ook bij het Ameen dat men antwoordt op Vejisjmerècha, Viechoenèka, en Sjalom wacht de voorlezer en begint niet met Jaër, Jisa en Siem Sjalom voordat heel de gemeente Ameen gezegd heeft.

De Kohaniem mogen zich (na afloop van de priesterzegen) niet naar de Heilige Ark omdraaien voordat de Chazzan begint met Siem Sjalom. Zij mogen hun gespreide vingers niet sluiten voordat zij hun gezicht van het publiek hebben afgewend. En zij mogen niet van de Doechan afgaan voordat het publiek Ameen gezegd heeft op Hamevarech Et Ammo Jisraëel Basjalom.

Rechts

Wanneer de Kohaniem zich omdraaien, zowel bij het begin als aan het einde, draaien zij uitsluitend rechts om. Dus wanneer zij vóór de Beracha met hun gezicht naar het oosten gekeerd staan, draaien zij via het zuiden naar het westen. En na de zegen, wanneer zij hun gezicht weer naar het oosten wenden, draaien zij zich om via het noorden.

Wanneer zij van de Doechan afdalen, is hun gezicht enigszins naar de Heilige Ark gekeerd en lopen zij achteruit, zoals een leerling die van zijn meester afscheid neemt. Zij moeten hun schoenen niet aanraken, wanneer zij die weer aantrekken, en als zij ze wel aangeraakt hebben, moeten zij hun handen wassen.

Chazzan geen koheen

Men moet proberen ervoor te zorgen dat de Chazzan geen Koheen is. Wanneer hij wel een Koheen is, gaat hij niet de Doechan op en hij roept ook de Kohaniem niet op, maar iemand anders gaat naast hem staan en roept Kohaniem en die leest ook de woorden Jevarèchecha enz. voor.

De Chazzan blijft staan en houdt zich stil, tot Siem Sjalom. Het wordt niet als een overtreding beschouwd dat hij niet de Doechan opgaat, ondanks dat men Kohaniem roept, want dat geldt alleen voor wie niet midden in de Tefilla is en na Retsee van zijn plaats komt.  

Chazzan is enige koheen

Wanneer er geen andere Koheen aanwezig is dan de Chazzan, dan gaat hij de Doechan op, ten ein­de de Mitsva van de priesterzegen niet voorbij te laten gaan, en hij vertrouwt op het overgieten van zijn handen voor Sjachariet.

Wat doet hij? Hij beweegt een beetje zijn voeten als hij Retsee zegt, en hij vervolgt de Sjemonee Esree tot Oelecha Naè Lehodot, en iemand anders  zegt: Elokenoe, Velokee Avotenoe, Barechenoe Baberacha, enz.

Daarna gaat de Chazzan de Doechan op en iemand anders leest hem voor. Daarna keert de Chazzan terug naar zijn plaats en zegt Siem Sjalom.

Minjan van uitsluitend Kohaniem

Wanneer het Minjan uitsluitend uit Kohaniem bestaat en er precies tien man aanwezig zijn, dan gaan zij allen de Doechan op om  te zegenen. Wie zegenen zij?

Hun mede-Joden op het veld buiten, die niet in staat waren door omstandigheden buiten hun schuld, om naar sjoel te komen.

En wie antwoordt Ameen op hun Beracha?

De vrouwen en kinderen. En zelfs als er geen vrouwen en kinderen aanwezig zijn (dan zeggen zij toch de priesterzegen) want het antwoorden van Ameen is niet essentieel. Wanneer er meer dan tien Kohaniem zijn, dan blijven er tien Kohaniem achter om Ameen te antwoorden en de overigen gaan de Doechan op.

Andere sjoel

Wanneer een Koheen de priesterzegen gezegd heeft en daarna naar een andere sjoel gaat, dan mag hij als hij wil nogmaals de Doechan opgaan; en als hij niet wil, hoeft hij niet, ook al hoort hij Kohaniem roepen, want hij heeft de zegen al een keer uitgesproken.

Spraakgebrek

Iemand die sommige letters niet goed kan uitspreken en die een Sjien uitspreekt als een Sien, die zegent niet, tenzij iedereen het zo uitspreekt. Iedere Koheen die niet de Doechan opgaat om de priesterzegen uit te spreken, moet vóór Retsee de synagoge verlaten, tot na de priesterzegen.

Wetsovertreders

Een Koheen die iemand met opzet vermoord heeft, mag het volk niet zegenen, ook niet als hij Tesjoewa gedaan heeft en hij berouw heeft getoond. Maar wanneer hij iemand onopzettelijk gedood heeft en hij heeft daar berouw over, dan mag hij zegenen.

Ook een apostaat  die berouw getoond heeft, mag het volk zegenen. Wanneer hij een gescheiden vrouw getrouwd heeft of als hij zich (met opzet) veront­reinigd heeft aan een dode, waaraan het hem verboden is zich te verontreinigen, dan mag hij het volk niet zegenen voordat hij berouw getoond heeft volgens de aanwijzingen van een Geleerde.

Iemand die rouwt voor zijn vader of moeder mag de eerste twaalf maanden het volk niet zegenen en iemand die voor een ander familielid rouwt, mag dat de eerste dertig dagen niet.

Wanneer er niet twee andere Kohaniem aanwezig zijn, mag de rouwende zegenen binnen de twaalf maanden, respectievelijk dertig dagen na het overlijden. Einde citaten uit de Sjoelchan Aroech.

Wetsreligie

Het Jodendom kan omschreven worden als een “wetsreligie”.

In de loop der eeuwen zijn de meeste grondbeginselen van de halacha, wet op een vrij legistische wijze geregeld en uitgewerkt in leefregels voor de dagelijkse praktijk. De Sjoelchan Aroech is hiervan het meest sprekende voorbeeld.

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.