Is vis, tuna, of sushi koosjer?
Wat doen we met groenten en fruit?
Dien je aardbeien te wassen met zeep zoals sommigen stellen?
Welke diersoorten zijn koosjer maar eten we toch niet? Giraf bijvoorbeeld.
Dit zijn de vragen, die dagelijks op de Rabbijnen worden losgelaten en dringend op antwoord wachten.
Om even kort te antwoorden: vissen moeten vinnen en schubben hebben om koosjer te zijn.
Tuna is dus Koosjer.
Maar bij de bereiding van sushi worden nogal eens niet-koosjere ingredienten gebruikt. Dus is een koosjer-verklaring nodig.
De giraf herkauwt en heeft gespleten hoeven en is dus koosjer maar wordt in de praktijk niet gegeten.
Koosjer is ‘op de juiste wijze bereid’
De Joodse spijswetten hebben spirituele betekenis maar ook hygienische waarde en bevorderen de zelfdiscipline, die de Joodse identiteit versterkt en in stand houdt.
Voor een Jood, die in een niet-Joodse omgeving leeft, betekent het onderhouden van de spijswetten dat hij offers moet brengen. Bepaalde soorten voedsel mag hij niet eten.
Koosjer – geoorloofd – eten kleurt het Joodse leven en geeft dit een unieke sfeer. De spijswetten – kasjroet – waarborgen eveneens een diepgaand respect voor het dierlijk leven. De grondbetekenis van het Hebreeuwse woord koosjer is ‘op de juiste wijze bereid’.
Koosjer eten is ritueel geoorloofd eten. De beginselen ervan staan in de Bijbel vermeld in Leviticus en Deuteronomium. Details zijn ons overgeleverd in de Rabbijnse traditie.
Drie categorieen
Voedsel kan worden onderverdeeld in drie categorieen:
1. Voedsel dat in zuivere vorm – zonder enige toevoeging of bewerking – Koosjer is: bijvoorbeeld granen, fruit, groenten, thee, koffie, geoorloofde vis, geoorloofde eieren.
2. Voedsel dat door het ondergaan van bepaalde handelingen (bijv. ritueel slachten) volledig Koosjer wordt: geoorloofd vlees en gevogelte.
3. Voedsel dat fundamenteel niet Koosjer is: zoals het varken, roofvogels, insecten, schelp- en schaaldieren en alle daarvan afgeleide producten.
Filosofie van koosjer eten
Maar laten we ons eerst verdiepen in de filosofie van het koosjer eten. Wat is de achtergrond van de spijswetten?
“Gij zult niets eten, dat een gruwel is. Dit zijn de dieren, die gij eten moogt: het rund..”.
Heeft u er wel eens over nagedacht waarom wij wèl koeienvlees mogen eten? Zoogdieren, die gespleten hoeven hebben en herkauwen, mogen wij op het menu zetten. Deze zoogdieren behoren tot de meer passieve diersoorten; zij eten geen vlees maar zijn herbivoren (planteneters).
Wat doet een koe – als prototype van het kosjere dier – de hele dag? Kauwen en herkauwen. Koeien maken een weinig actieve indruk, zijn niet wild, doden geen andere dieren en zijn een toonbeeld van passiviteit.
Het typisch dierlijk instinct lijkt bij de koe weinig tot ontwikkeling te zijn gekomen. De bouw van de poot is niet geschikt om te doden.
Dieet voor de nesjomme
De Tora geeft een dieet voor de nesjomme, de ziel.
Voor onze lichamelijke gezondheid kunnen we terecht op de universiteit. Hoewel de Tora niet expliciet stelt dat de mens wordt wat hij eet, vreest zij toch voor identificatie van de consument met hetgeen hij eet.
Waarom overtreedt de mens bij tijd en wijle morele grenzen?
Het antwoord ligt in het driftleven van de mens.
- Lust, begeerte, verlangen en passie leiden soms tot ongewenste toestanden.
Het Tiende Gebod luidt ‘Begeer niet’!
De mens moeten leren tevreden zijn met wat hij heeft. Eén van de belangrijkste lessen van de Tora is dat het in het leven veel meer gaat om wat wij zijn dan om wat we hebben. Alleen maar bezig zijn met ‘steeds meer’ in materiele zin laat weinig ruimte voor geestelijke ontplooiing. De Tora wil opvoeden tot spirituele groei, maar er is meer.
De Tora wil ons brengen tot het niveau van een tsaddiek. Meestal wordt ’tsaddiek’ vertaald als rechtvaardige, maar de Joodse vertaling kan gevonden worden bij de profeet Chabakoek (2:4): “De rechtvaardige zal door zijn geloof leven.” Een tsaddiek leeft in het vertrouwen dat, wanneer hij naar G’ds opdracht leeft, hij alles krijgt wat hij nodig heeft.
Daarom zijn roofdieren verboden. Roofdieren gaan erop uit om te doden en lijken fundamenteel ontevreden met wat de flora te bieden heeft.
Symbolisch zegt een roofdier: “G’d zorgt niet goed voor mij, daarom moet ik voor mijzelf zorgen.”
Ontevredenheid en vegetarisme
Kasjroet (de spijswetten) leert ons ver te blijven van deze eigenschap van fundamentele ontevredenheid. Veel zijn is veel belangrijker dan veel hebben. De herkauwende koe komt op ons tevreden over. Het beetje voedsel dat zij tot zich neemt, herkauwt zij telkens.
Vertaald naar menselijk niveau betekent dit het besef te kunnen leven zonder overdaad, een eye-opener in onze consumptiemaatschappij.
In de tijd van de Masjie’ach worden we weer vegetarisch.
In het geheel geen vlees eten lijkt ideaal maar dit is op dit moment toch niet de hele waarheid. Want ook de fauna moet in staat gesteld worden zijn energie aan te bieden aan de religieuze mens.
De Tora legt ons hierbij beperkingen op: zorg dat de zuiverheid van de ziel geen gevaar loopt. Er bestaat inderdaad zoiets als een dieet voor de geest. De constante herinnering om onze humaniteit en spiritualiteit te behoeden en te verfijnen is een belangrijke kasjroet-gedachte.
Kabbala en eten: zuiverheid van het lichaam
In de mystieke literatuur wordt uitgelegd, dat de spijswetten van de Tora eigenlijk niet zozeer een dieet voor de ziel zijn maar veel eerder het lichaam van de mens van iedere dierlijke bezoedeling moeten zuiveren.
Het lichaam is het instrument van de ziel, waarmee ons hoogste mensaspect met de aardse omgeving kan communiceren.
Wat de Tora in de eetvoorschriften van ons eist, is dat wij het lichaam zo zuiver mogelijk houden zodat de ziel met een minimum aan fysieke obstakels door het lichaam heen haar geestelijk licht kan laten schijnen op de materiele wereld.
In de Kabbala wordt de ziel vergeleken met een diamantslijper, die afhankelijk is van de kwaliteit van zijn instrumenten (i.c. het lichaam). Hoe kundig hij ook is, er hoeft maar één klein manco of gebrek in zijn instrumentarium te zijn en zijn producten bezitten niet meer die topkwaliteit, die zij idealiter gehad zouden kunnen hebben.
Hetzelfde geldt voor het menselijk lichaam.
Kosjer eten zorgt voor een optimale ‘loepzuiverheid’ van het lichaam, het ‘vehikel’ van de ziel.
Groenten en fruit
Terug naar de aardse realiteit: wat doen we met groenten en fruit?
Dit is een gecompliceerde vraag. In de Tora is het verbod op het eten van insecten een belangrijk onderdeel van de spijswetten. Het verbod omvat zowel het insect zelf, alsook etenswaren die ongedierte bevatten.
Dit houdt in de praktijk in dat veel voedel onderzocht zal moeten worden op de aanwezigheid van ongedierte, zoals wormen of parasieten, hetgeen soms een tijdrovend karwei is.
Insecten
De Tora verbiedt het eten van alle vliegende insecten met vier poten. Voor vier soorten sprinkhanen en varianten hiervan wordt een uitzondering gemaakt. Deze soorten kunnen dus gewoon gegeten worden.
Ook hier vormt de identificatie van deze soorten een probleem. Volgens sommige vertalers zou het onder andere om de sabelsprinkhaan, de veldsprinkhaan en de treksprinkhaan gaan.
Volgens de Talmoed heeft een geoorloofde sprinkhaan de volgende eigenschappen: vier poten, twee extra springpoten in de buurt van de kop en vier vleugels die het grootste gedeelte van het lichaam bedekken (Lev. 11:21-22).
Wormen in fruit
In een ander vers verbiedt de Tora ‘alles wat op de aarde kruipt’. Op grond van dit verbod komt de Talmoed tot de conclusie dat ook parasieten en wormen in groente en fruit verboden zijn.
Controle
Bepaalde groenten en vruchten worden echter door insecten van buitenaf aangevreten. Deze dringen door de buitenkant heen en doen zich tegoed aan de binnenkant. Bij grote insecten is dat meestal zichtbaar door de aanwezigheid van kleine gaten en gangen waardoor deze zich naar binnen werken.
Sommige kleinere soorten echter laten bijna geen sporen achter. Het is ook vanwege deze insecten van buitenaf dat men sommige etenswaren moet controleren op aanwezige vliegjes, luizen of wormen.
Verdachte soorten
Niet alle groenten of fruit moeten een dergelijke inspectie ondergaan; alleen die soorten waarbij een zekere kans bestaat om insecten aan te treffen.
In de Rabbijnse bronnen worden vooral sla- en koolsoorten als ‘verdacht’ beschouwd. Wanneer men echter iets eet wat normaliter geen insecten bevat, hoeft men dit niet te controleren. Bij alle twijfelgevallen wordt geadviseerd om een Rabbijn te raadplegen.
Drie voedselsoorten
Wat gebeurt er nu indien men toch iets aantreft bij onverdachte producten?
Wanneer men minstens drie insecten aantreft is de desbetreffende vrucht of groente ‘verdacht’ en moet hij in zijn geheel bekeken worden, omdat de kans bestaat dat er ook meer aanwezig zijn. Volgens de halacha – de Joodse wet – moet er in dergelijke gevallen tussen drie voedselsoorten onderscheiden worden:
1. Een zak meel moet met een fijne zeef gezeefd worden om verwijdering van alle insecten te garanderen;
2. Soep en wijn moeten door een textielen zeef gehaald worden, waarna de vloeistoffen geoorloofd zijn maar de vaste soepbestanddelen verwijderd moeten worden;
3. Sla e.d. moeten worden weggegooid als het onmogelijk is alle insecten te verwijderen.
De praktijk
Voor de controle van groente en fruit bestaan in de praktijk verschillende methodes, afhankelijk van de hoeveelheid insecten die ze bevatten en het soort ongedierte.
Sommige diertjes zijn moeilijk te verwijderen, anderen zijn zo klein dat een aandachtige bestudering van het blad nodig is.
Vooral sla is moeilijk schoon te maken, omdat deze een soort groene luis bevat die moeilijk te zien is op het bladoppervlak.
Bij vruchten kunnen bepaalde onderdelen meer insecten bevatten dan andere, zodat bij sommige juist het gebied rond de pit een probleem is, bij andere weer het gebied rond de steel of het kroontje.
Rigoreus onderzoek
De meest rigoreuze methode, bijvoorbeeld voor groene sla, boerenkool en sommige andere groenten, houdt in dat allereerst aangestoken plekken worden verwijderd.
Vervolgens wordt de groente goed gewassen en gereinigd van aarde en andere viezigheid. De bladeren worden daarna in water gelegd met daarin wat zout of azijn. Dit zorgt ervoor dat de diertjes makkelijker loskomen van het blad.
Na de groente onder stromend water afgespoeld te hebben, onderzoekt men elk blad bij voldoende verlichting aan beide kanten. Wanneer de bladeren licht doorlaten moeten deze tegen het licht worden gehouden.
Prioriteit
Het verbod op het eten van ongedierte wordt enkele keren in de Tora herhaald. Op grond hiervan is het duidelijk, dat dit verbod een hoge prioriteit heeft.
In de Talmoed komt men tot de conclusie dat de verschillende vermaningen elk een nieuwe overtreding toevoegen aan een vergrijp. Met andere woorden, door het eten van een insect kan men meerdere verboden overtreden.
Volgens de Talmoed is een mier goed voor vier overtredingen, een horzel zelfs voor zes. Ter vergelijking: op het eten van varkensvlees staat niet meer dan een overtreding.
Pesticiden
Vooral in de Rabbijnse literatuur van de laatste eeuwen krijgt het verbod op insecten een hoge prioriteit. Sommigen raden zelfs aan om groenten als sla in het geheel te laten staan.
Men is bang dat men de groenten vanwege de vrij tijdrovende procedure niet goed schoonmaakt en onderzoekt.
Opmerkelijk is het feit dat vooral in de laatste decennia het aantal ‘verdachte’ groenten- en fruitsoorten dat onderzocht moet worden, sterk is toegenomen. Dit terwijl juist in deze eeuw gebruikt wordt gemaakt van allerlei pesticiden.
Desalniettemin geven allerlei boeken over het verbod van insecten lange lijsten met groenten en fruitsoorten, die men moet controleren.
Resistentie
Ter verdediging van de strengere normen wordt aangevoerd dat het gebruik van pesticide de laatste jaren sterk is afgenomen, vanwege de schadelijkheid voor de volksgezondheid en het milieu. Bovendien zouden allerlei insecten resistent zijn geworden. Ook ontdekt men nieuwe soorten die zeer moeilijk te verwijderen zijn.
Een voorbeeld hiervan is een diertje dat niet op het blad maar in het blad zit. Het graaft kleine kanaaltjes en eet de groente van binnenuit op. Afspoelen helpt in zo’n geval niet.
Goesj Katif
In de nederzetting Goesj Katif en inmiddels ook op vele andere plaatsen is men er in geslaagd om allerlei groenten te kweken zonder insecten.
Het idee is vrij eenvoudig: de aanwezigheid van beestjes wordt veroorzaakt doordat het moederdier eieren in of op de groenten legt. Zorg ervoor dat deze dieren de kans niet krijgen om hun eieren te leggen en je hebt insect-vrije groenten.
Door de groenten in volledig dichte kassen te kweken hoopt men deze vrij te houden van ongedierte. Daarnaast worden in de kassen nog allerlei maatregelen genomen om per toeval binnengedrongen insecten uit te schakelen. De speciale grondsoort die men in de kassen gebruikt zorgt er bovendien voor dat insecten die anders via de bodem naar binnen komen, nu geen kans krijgen.
Heiligheid
Volgens de Tora heeft het verbod op insecten alles te maken met heiligheid.
Aan het einde van de verhandeling over verboden ongedierte in Leviticus (11:44), volgt enkele keren de vermaning om heilig te zijn:
“Wees heilig, want ook Ik ben heilig”.
Een vers later wordt dit opnieuw herhaald:
“Want Ik ben G’d, die jullie uit Egypte heb gevoerd om jullie tot G’d te zijn; wees heilig, want ook Ik ben heilig”.
Volgens verschillende geleerden was alleen al het in acht nemen van deze voorschriften omtrent insecten, voldoende reden om het Joodse volk uit Egypte te verlossen.
De Tora gebruikt bovendien in plaats van het woord “uitvoeren”, een werkwoord dat ook “naar boven brengen” of “verheffen” kan betekenen. Door insecten te mijden verheft de mens zich boven de aardse dimensie van het bestaan. Alleen hiervoor was de hele Exodus al de moeite waard.
Spirituele onreinheid
Daarnaast worden ook de negatieve kanten benadrukt: het eten van ongedierte verontreinigt de ziel en zorgt voor een soort spirituele onreinheid.
De Talmoed wijst hier op een soort neerwaartse spiraal die in gang wordt gezet. Wanneer iemand zich verontreinigt door het overtreden van het insectenverbod, zal hij uiteindelijk ook op vele andere gebieden zondigen.
Het overtreden van dit verbod heeft de werking van een soort katalysator die een negatief proces in gang zet.
Voedselproductie geen lekenwerk
De gecompliceerde spijswetten zorgen ervoor dat de voedselproductie in principe niet aan leken overgelaten kan worden.
Het valt te preferen dat het voedsel in zijn geheel door iemand wordt bereid, die de spijswetten kent en hiermee rekening houdt.
Voor een aantal basisproducten zoals kaas, vlees en brood geldt sowieso dat deze alleen ritueel bereid mogen worden. Ritueel bereid betekent dat er toezicht is op de wijze van produceren en de ingredienten.
Er bestaan echter een aantal oplossingen waardoor de voedselbereiding toch, tot op bepaalde hoogte, uit handen gegeven kan worden aan mensen die niet thuis zijn in de spijswetten.
Het Koosjer -certificaat (Hechsjer)
Een Koosjer-certificaat (Hebreeuws: hechsjer) geeft aan dat een bepaald productKoosjer – geoorloofd – is.
Sommige produkten zoals kaas, vlees, wijn en brood mogen alleen ritueel door Joden worden bereid. Door het product van een certificaat, stempel of zegel te voorzien, weet de consument dat een bepaald produkt in orde is.
De Joodse wet schrijft voor dat sommige produkten wanneer zij aan het oog ontrokken worden – bijvoorbeeld door transport – ter identificatie van een stempel of ander herkenningsteken worden voorzien. Dit dient om ongelukken of fraude te voorkomen.
Het gaat hierbij om producten waarbij met het blote oog niet kan worden gezien dat ze Koosjer zijn.
Daarnaast was het gebruik om alle etenswaren die op Pesach (Joods Pasen) worden gegeten van een zegel te voorzien. Op deze feestdag gelden namelijk zeer strenge bepalingen met betrekking tot de consumptie van meelprodukten of toevoegingen hiervan aan andere produkten.
Oude gegevens
In de Talmoed (1800 jaar geleden vastgelegd) vinden we dat onder andere melk, vlees, vis, brood, wijn en kaas van een zegel worden voorzien.
Deze teksten in de Talmoed geven aan dat het Koosjer -certificaat al in de derde eeuw na de jaartelling in gebruik was.
Maar er zijn aanwijzingen dat men al veel eerder bepaalde producten van zegels voorzag.
De Talmoed beschrijft het wonder op Chanoeka (Inwijdingsfeest) met het kruikje olie dat acht dagen brandde in plaats van een dag. Het kruikje was voorzien van een zegel van de Hogepriester om aan te geven dat de olie, in ritueel opzicht, rein was.
Volgens de Talmoed was het dus al in de tweede eeuw voor de jaartelling – het verhaal van Chanoeka speelt zich af in het jaar 164 voor de jaartelling – een gebruik om bepaalde producten uit religieus oogmerk van zegels te voorzien.
Een bekende geleerde had een andere originele manier om aan te geven dat zijn vis Koosjer was wanneer hij deze verzond: hij had de gewoonte om deze in kleine driehoekjes te snijden.
Een modern verschijnsel
De technologische, economische en wetenschappelijke ontwikkelingen van de afgelopen twee honderd jaar hebben verstrekkende gevolgen gehad voor het in acht nemen van de spijswetten.
Deze veranderingen hebben er voor gezorgd dat steeds meer producten van een zegel of certificaat worden voorzien.
Allereerst maakt men tegenwoordig steeds minder voedsel zelf.
Vroeger was het normaal, vooral in agrarische gebieden, om vlees, brood, broodbeleg en de meeste basisproducten zelf te bereiden. Wie de spijswetten in acht wilde nemen maakte gewoon alles zelf op de Koosjer e manier.
Alleen wat men niet zelf kon maken kocht men, al dan niet met certificaat, bij anderen. Vooral in deze eeuw is dit fundamenteel veranderd. Etenswaren worden nu vrijwel alleen nog maar in fabrieken vervaardigd. Doordat steeds minder zelf wordt gemaakt staat het uiteindelijke eindproduct ver af van de grondstoffen.
Het hele productieproces is dus veel langer en ondoorzichtiger geworden. Voor de spijswetten betekent dit dat er ook veel meer kan misgaan en dat het bijna onmogelijk is om aan de buitenkant van een product iets te zeggen over de ingredienten.
Additieven troef tegenwoordig
Ook de samenstelling van ons voedsel heeft ingrijpende veranderingen ondergaan.
Alhoewel ook vroeger bepaalde stoffen aan etenswaren werden toegevoegd, is het tegenwoordig zo dat men een reeks van chemische stoffen door ons voedsel mengt.
Kleurstoffen, conserveringsmiddelen en vitaminen zijn de bekendste voorbeelden.
Maar wat te denken van geleermiddelen, zuurteregelaars, antischuimmiddelen, glansmiddelen of smeltzouten?
Al deze stoffen kunnen voor de Joodse wet problematisch zijn.
Genenmanipulatie en bio-technologie
De technologische ontwikkelingen vinden eveneens hun toepassingen in de voedselindustrie.
Nieuwe technieken als genenmanipulatie en bio-technologie maken het mogelijk om allerlei stoffen voor de voedselindustrie uit enzymen, cellen of micro-organismen te halen.
Ook is het mogelijk om via ingewikkelde chemische processen natuurlijke stoffen na te maken. Al deze technieken compliceren het in acht nemen van de spijswetten.
Toezicht
De Joodse wet erkent de mogelijkheid om bepaalde zaken aan derden uit te besteden – voorop gesteld dat er toezicht wordt uitgeoefend.
De toezichthouder moet meerderjarig zijn en goed bekend zijn met de spijswetten. Er bestaan wat dit betreft verschillende gradaties van toezicht:
1. permanent en
2. steekproefsgewijs.
Bij permanent toezicht is de toezichthouder voortdurend aanwezig en voert hij soms tijdens de handelingen een controle uit.
Bij toezicht dat steekproefsgewijs wordt gedaan, voert de toezichthouder alleen op bepaalde, onaangekondigde tijdstippen een controle uit.
Hele productieproces
Om tegenwoordig een uitspraak te kunnen doen of een bepaald productKoosjer is, zal men allereerst het gehele productieproces tot in de kleinste details moeten onderzoeken.
Enige kennis van techniek en wetenschap is daarbij wel een vereiste.
Wanneer eenmaal vastgesteld is dat een bepaald product aan de voorwaarden voldoet, kan het in principe gegeten worden. Wel moeten er af en toe controles worden uitgevoerd, om er zeker van te zijn dat er niet gefraudeerd wordt en dat zich geen veranderingen in het productieproces hebben voorgedaan.
Een certificaat krijgt een product alleen wanneer er sprake is van permanente controle van een toezichthouder. In bepaalde gevallen activeert de toezichthouder bepaalde productieprocessen, zoals het aansteken van een oven.
Volledig toezicht?
In veel landen is men van mening dat alleen producten onder volledig toezicht gegeten mogen worden. In sommige landen is de binnenlandse markt voor Koosjer e produkten te klein om de meeste artikelen onder permanent toezicht te vervaardigen.
Alleen voor de export produceert men in nauwe samenwerking met fabrieken en leveranciers producten die onder een permanent toezicht staan. Deze producten krijgen een zegel van het landelijke Opperrabbinaat of een prive Rabbijn of instituut.
Op werkbezoek
Om te bepalen of een bepaald artikel geoorloofd is gaat meestal een Rabbijn ter plaatse poolshoogte nemen. De gehele fabriek wordt bekeken. Speciale aandacht krijgen bijvoorbeeld het stoomcircuit waarmee men etenswaren verhit, de reinigingsmethodes van de installaties, de ovens en transportmechanismen.
Men kijkt eveneens naar de andere producten die in de fabriek worden gemaakt, aangezien de meeste fabrieken meer dan een product maken. In veel gevallen worden er op andere productielijnen verboden produkten gemaakt met ingredienten van dierlijke oorsprong.
Onderzocht zal moeten worden in hoeverre de producten tijdens de productie worden gescheiden. Zo maakt bijvoorbeeld een chipsfabriek zoutjes met allerlei smaken, waaronder bijvoorbeeld de smaken bacon en kaas die niet Koosjer zijn.
Wanneer nu alles over een band loopt dan is het verboden om ook de overige zoutjes of chips, die op zich qua ingredienten in orde zijn, te eten vanwege achtergebleven resten.
Winstoogmerk
Het productieproces aanpassen of stilleggen wil een fabriek meestal alleen wanneer hem dat economisch voordeel oplevert. Aan artikelen die geen certificaat krijgen maar waarvan toch – na onderzoek – vast is komen te staan dat zij gegeten mogen worden, verdient een fabriek meestal weinig.
Alleen speciaal vervaardigde producten met zegel en permanent toezicht zijn voor fabrieken in Europa financieel interessant, omdat zulke produkten vaak naar het buitenland worden gexporteerd. De fabriek krijgt in zo’n geval een deel van de opbrengst.
De Warenwet en de spijswetten
In veel landen bestaan er wetten die de samenstelling van voedsel moeten waarborgen, zowel uit het oogpunt van volksgezondheid als kwaliteit. Zo wil men voorkomen dat men stoffen toevoegt die schadelijk zijn.
Aan de andere kant moet de wet voorkomen dat de producent fraudeert – te denken valt aan het toevoegen van water aan melk of goedkope slaolie aan ‘echte’ olijfolie. In Europa is een en ander vastgelegd in de Warenwet.
Een van de aspecten van de Warenwet heeft betrekking op het etiketteren van levensmiddelen. Dit houdt in dat de samenstelling van een product op de verpakking hoort te staan.
In hoeverre nu is de Warenwet bruikbaar voor mensen die Koosjer eten? Is het voldoende om de etiketten in de supermarkt te lezen om te beslissen of iets in orde is?
Mag je afgaan op de gegevens van de fabriek?
In de Rabbijnse responsa van de laatste eeuwen wordt hier al aandacht aan besteed. Zo zijn er verschillende Rabbijnen die het gebruik toestaan van boter, melk, yoghurt en dergelijke – ook zonder Rabbinale controle.
Een keurmerk of zegel van de overheid is in dit geval voldoende om fraude tegen te gaan. Men is vooral bang voor toevoegingen van niet-Koosjer e melk (van ezelinnen of varkens) of verboden dierlijke vetten.
Omdat op het overtreden van de wet geldboetes staan, gaat men er vanuit dat een producent niet het risico zal willen lopen om gepakt te worden voor het knoeien met levensmiddelen.
Met name in de Verenigde Staten staan er enorme geldboetes op het overtreden van de Warenwet.
Minder dan 2%
Aan de andere kant hanteren de Warenwet en de Joodse wet andere criteria. Volgens de warenwet is men bijvoorbeeld niet verplicht om een substantie waarvan de concentratie minder dan 2% bedraagt, op het etiket aan te geven.
Zo kan plantaardig vet of olie tot 2% dierlijke vetten bevatten. Een slechts oppervlakkig schoongemaakte tanker of container met olie kan nog resten dierlijke olien bevatten van een eerdere lading.
Geen probleem volgens de Warenwet. Maar vanuit de optiek van de Joodse wet is dit wel degelijk een probleem. Alleen wanneer een fabrikant de toevoeging ‘100 % pure ….’ vermeldt mag het product volgens de Warenwet geen andere stoffen bevatten.
Ook hoeven bepaalde hulpstoffen niet op het etiket vermeld te worden. Het gaat hierbij om stoffen die geen echte ingredienten zijn, maar wel een rol spelen bij de productie van levensmiddelen.
Een voorbeeld zijn vetten waarmee bakvormen of bakplaten worden ingesmeerd om te zorgen dat het koekje, een biscuit of cracker gemakkelijk loskomt. Hiervoor worden soms vetten van dierlijke oorsprong gebruikt, hetgeen volgens de Joodse wet verboden is.
Voedseladditieven
Een reeks stoffen wordt aan ons voedsel toegevoegd om ons eten verser, mooier en smakelijker te maken. Deze stoffen kunnen zowel synthetisch, plantaardig of van dierlijke oorsprong zijn.
Om iets Koosjer te verklaren zal precies moeten worden nagegaan wat de oorsprong is van de desbetreffende stof.
Op de verpakking van een product worden de voedseladditieven aangegeven met een bepaalde code – een hoofdletter ‘E’ met een nummer. De ‘E’ geeft aan daar het om een stof gaat die door de Europese Gemeenschap is goedgekeurd.
E 120 van gedroogde schildluis
De meeste kleurstoffen bijvoorbeeld die in de voedselindustrie worden gebruikt zijn synthetisch. Deze leveren voor de spijswetten weinig problemen op.
Een uitzondering hierop is een rode kleurstof (E 120) die onder andere in snoep, jam en conserven voorkomt. Deze kleurstof wordt van gedroogde schildluis gemaakt. Volgens de Joodse spijswetten mogen insecten niet gegeten worden.
Emulgatoren
Een andere groep veel gebruikte stoffen zijn de emulgatoren. Een emulgator helpt twee stoffen die normaliter niet mengbaar zijn, zoals olie en water, te vermengen tot een egale, homogene oplossing.
Deze stoffen worden in veel producten gebruikt: onder andere in chocolade, margarine, slaolie en mayonaise, gebak, koekjes en brood. Voor veel van deze emulgatoren geldt dat ze zowel uit dierlijke vetten kunnen worden gemaakt als synthetisch.
Pas wanneer men zeker weet dat de gebruikte emulgator synthetisch is bereid, wordt het productKoosjer verklaard. Omdat dit niet eenvoudig te controleren is, zijn producten met emulgatoren meestal niet geoorloofd.
Aroma’s
De aroma’s (geur- en smaakstoffen) die aan etenswaren worden toevoegd vormen uit kasjroet oogpunt een ander probleem. Volgens de Warenwet hoeven de meeste hiervan niet nader gespecificeerd te worden op de verpakking.
Omdat veel van deze stoffen van natuurlijke bronnen, vaak planten en vruchten, komen, gaat men ervan uit dat deze meestal niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Alleen bepaalde synthetische aroma’s moeten op de verpakking worden aangegeven.
Sommige natuurlijke aroma’s blijken echter een dierlijke herkomst te hebben. Het gaat bijvoorbeeld om dieren als katten, bevers en walvissen. Aangezien deze dieren volgens de Joodse wet niet geoorloofd zijn, is ook het aroma nietKoosjer .
Concurrentie
Door het steeds toenemende aantal producten met een Koosjer -certificaat is deze tak van de voedselindustrie een bloeiende business geworden. Wanneer men zich als producent maar aan de strenge spijswetten houdt, kan men zich bovendien verzekerd weten van een trouwe groep afnemers.
Behalve Joden blijken ook gelovige Moslims afnemers te zijn van producten met een Koosjer -certificaat. Op deze manier weet men ten minste zeker dat het vrij is van varkensvlees of vet, hetgeen ook voor de Moslim een inbreuk is op de spijswetten van de Islam.
De laatste jaren is er een felle concurrentiestrijd ontbrand op deKoosjer e markt. Vooral grote organistaties met vele werknemers, zoals de O.U – een overkoepelend orgaan van orthodoxe Rabbijnen in de Verenigde Staten – of het Opperrabbinaat van Israel, proberen wereldwijd hun certificaten te slijten.
Soms gaat dit ten koste van een locaal rabbinaat dat tot voorheen de fabrieken in de regio van een certificaat voorzag.
De strijd wordt vaak puur op basis van economische motieven beslist, waarbij de economische uitgangspositie van zo’n grote organisatie doorgaans sterker is. Men kan een fabriek lagere kosten en grotere orders bieden dan een lokaal rabbinaat.
Of samenwerking?
In principe bestaat de mogelijkheid om concurrentie, op grond van bepaalde passages en beslissingen in de Talmoed, te verbieden. Veel van deze wetten waren relevant voor het economisch verkeer in de Middeleeuwen en moesten de lokale markt beschermen.
Zo konden de burgers van een stad verbieden dat handelaren uit een ander gebied hun producten op de lokale markt verkochten. Tijdens grote markten en jaarbeurzen was dit wel toegestaan.
Het is echter nog maar de vraag of deze bepalingen effectief zijn in de concurrentiestrijd om de Koosjer e markt tussen een organisatie uit het buitenland en een lokaal rabbinaat, omdat orders van een buitenlands bedrijf voor een markt uit het buitenland eigenlijk buiten de lokale markt omgaan.
In veel gevallen zal men dus op diplomatieke vaardigheden en goede onderhandelingstactieken moeten vertrouwen om, in plaats van concurrentie, tot samenwerking te komen.
