“Vachai bahem” – met de Tora zult u leven (Vajikra/Lev. 18:5)
In de oudste midrasjiem — exegese — komt een opmerkelijke passage voor:
“Nadat God Adam had geschapen, leidde hij hem rond in Gan-Eden – het Paradijs. ‘Aanschouw Mijn werken’, zei Hij, ‘zie hoe fraai alles is! Alles heb ik voor jou geschapen. Houd de natuur in stand en vernietig Mijn wereld niet. Want als jij onvoorzichtig omgaat met het milieu, is er niemand, die het kan herstellen'” (Kohellet Rabba 7, inhoudelijk weergegeven).
Wat een profetische wijsheid, welk een vooruitziende blik!
Deze wijsheid geldt niet alleen voor het milieu maar ook voor onze eigen gezondheid waar de Tora ons verantwoordelijk voor stelt.
De mens moet alles doen om zijn (fysieke) gezondheid te behouden en mag niets doen wat zijn gezondheid (onherstelbaar) beschadigt.
Roken is één van de risico’s die wij coute que coute moeten vermijden.
Als we onszelf schaden is er helaas niemand om dit te herstellen…
Roken is wereldwijd de tweede doodsoorzaak (globaal ongeveer vijf en een half miljoen sterfgevallen per jaar). Een kleine 19.000 mensen sterven in België jaarlijks als gevolg van roken volgens het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV).
Wordt het geen tijd om volledig te stoppen met roken?
Waarom hebben de Rabbijnen tot op heden niet keihard ingegrepen en het roken totaal verboden?
Roken is dodelijk staat in sommige Europese landen op de pakjes sigaretten.
Kies het leven!
In Devariem 30:19 komt een opmerkelijke passage voor:
“Ik neem heden de hemel en de aarde tegen U tot getuige, het leven en de dood leg Ik U voor, de zegen en de vloek; kies het leven!”
De Tora draagt ons op om het leven te kiezen hoewel ons vrije keus wordt gelaten. De meeste verklaarders zien hierin een meer spirituele opdracht: “Kies voor een werkelijk leven, een leven met geestelijke inhoud”.
Ondanks deze verheven gedachte bevat de geciteerde tekst ook een heel concrete opdracht, die bij nader inzien overigens niet zo eenvoudig zal blijken. Ons wordt medegedeeld onder alle omstandigheden het leven te kiezen.
Dat moge triviaal lijken, maar tegenwoordig, en met name in de medische praktijk, is deze levenskeuze een heet hangijzer. Van de zijde van de mens wordt een bewuste keuze verlangd. En dat kan betekenen, dat we moeten stoppen met roken, ook al moeten we daar offers voor brengen.
Duidelijk standpunt
Als is aangetoond dat roken uiterst gevaarlijk en zelfs dodelijk kan zijn en is, moeten de Joodse leiders een duidelijk standpunt innemen en niet aarzelen.
Een gezonde geest eist een gezond lichaam om goed religieus te kunnen functioneren. Daarom stelt Maimonides dat men goed op zijn lichamelijke gezondheid moet passen (hilchot deot 4:1). Onze Wijzen hebben veel verboden uitgevaardigd met het oog op onze lichamelijke gezondheid (Sjoelchan Aroech II:116).
Gezondheidsvoorschriften worden strenger behandeld dan enig ander deel van de halacha (Talmoed Choelien 9b). Toch zijn niet alle gezondheids- en veiligheidsrisico’s verboden. Iedereen neemt bepaalde risico’s. Autorijden of fietsen kunnen ook een aantal risico’s met zich meebrengen.
Huidige autoriteiten
Welke risico’s zijn nog aanvaardbaar en welke niet?
Lees mee in Talmoed Jewamot 72a. De Talmoed stelt in naam van Rav Papa, dat wanneer veel mensen een bepaald soort gevaar voor de gezondheid negeren, het halachisch toegestaan is om zich er niet te veel van aan te trekken omdat “Hasjeem de eenvoudige beschermt” (Psalm 116: 6).
Volgens de Ritva (Rabbi Jom Tov ben Avraham Asevilli (1260 – 1320)) gaat het in deze context om sociale en maatschappelijke acceptatie van de risico’s. Wanneer ‘men’ een bepaald risico acceptable vindt, kan men het doen.
Maar volgens Rabbi Eliezer Waldenberg (20e eeuw, Jeruzalem) kan men niet meer op G’ddelijke bescherming rekenen zodra wetenschappelijk aangetoond is dat roken schadelijk is. Rabbi Eliezer Waldenberg verbiedt het roken uitdrukkelijk.
Rabbi Mosje Feinstein (20e eeuw, New York) was iets meer terughoudend. Hij wilde roken niet geheel verbieden zolang niet was aangetoond dat er een direct verband bestaat tussen roken en levensgevaar (longkanker).
Zijn zoon en schoonzoon verklaarden echter publiekelijk en onomwonden, dat wanneer Rabbi Mosje Feinstein nu had geleefd en geconfronteerd zou zijn met de kennis van nu, hij het roken integraal verboden zou hebben.
Het laten “meeroken” van derden heeft Rav Feinstein so wie so al integraal verboden omdat het derden ernstig kan schaden.
Ingrijpen moet
Mogen we eigenlijk wel medisch ingrijpen als G´d ons een ziekte stuurt?
Medisch ingrijpen kan achteraf geschieden maar tegenwoordig is er veel meer aandacht voor preventief en profylactisch medisch bezig zijn. Maar dit verandert de principiele vraag niet: als G’d een ziekte stuurt, mag ik hier mij dan als mens tegen verzetten?
Mengen in Hemelse zaken
Het antwoord staat al in de Midrasj.
Aan het begin van de burgerlijke jaartelling wandelden Rabbi Jisjmaëel en Rabbi Akiwa door de straten van Jeruzalem waar zij werden aangehouden door een zieke man die hen vroeg hoe hij genezen kon worden.
De Rabbijnen gaven hem raad. Een begeleider vroeg de Rabbijnen wie deze man ziek had gemaakt: “G’d natuurlijk,” was het antwoord. “Hoe kunnen jullie je dan mengen in Hemelse zaken?” vroeg hun begeleider. “Wat doe jij voor je brood?” luidde de wedervraag. “Ik ben landbouwer van beroep,” antwoordde de begeleider. “Zo,” zeiden beide geleerden, “G’d heeft jouw wijngaard geschapen en jij neemt je de vrijheid zijn vruchten te plukken en het onkruid te wieden?” “Als ik mijn wijngaard niet zou onderhouden, zou die niets meer produceren!”.
“Beste man,” antwoordden zij toen, “begrijp jij dan niet, dat net zoals de wijngaard niet kan groeien zonder de zorg van mensenhanden, ook de mens zich niet kan ontplooien zonder medische zorg? De mens heeft bij tijd en wijle medicijnen nodig en de boer uit onze parabel is de medicus, die zorg draagt voor de gezondheid van zijn medemens.” Medisch ingrijpen is geboden, zelfs nolens-volens, ook preventief.
Ondeelbaarheid
Binnen de morele discipline van het Jodendom wordt het leven gezien als iets ondeelbaars. Het leven is onmeetbaar, niet in rekenkundige termen te vatten, iets van onschatbare en oneindige waarde. Iemand, die nog maar kort te leven heeft, is niet ‘minder waard’ dan iemand, die menselijkerwijs gesproken nog een heel leven voor zich heeft.
Het Jodendom geeft onder normale omstandigheden geen criteria, waar men de waarde van een mensenleven kan of mag afmeten, zoals maatschappelijke status, gezondheidstoestand of familieomstandigheden.
Volgens de Talmoed is ook een terminale patiënt en zelfs degene, die in doodsstrijd verkeert, in elk opzicht als levend te beschouwen (chaj lechol dawar). Dit beginsel komt onder andere tot uiting in Misjna Joma (VIII:7} “Als een bouwwerk op iemand neerstort, dan mag men, zelfs als het twijfelachtig is of hij nog in leven is, de puinhoop boven hem op Sjabbat wegruimen.”
Het is volgens een Talmoedcommentaar op deze Misjna (B.T. Joma 85a) zelfs toegestaan de Sjabbat te ontwijden om iemand voor maar eventjes het leven te redden. Met andere woorden: zelfs als het slachtoffer nog maar zeer korte tijd te leven heeft, ontheft levensredding van het strenge verbod om inbreuk te maken op de heiligheid van de Sjabbat.
Als ook maar gering leven al reden is om de heiligste dag van de week te ontwijden, hoeveel te meer hebben wij dan niet de dure plicht ieder moment van leven te koesteren en niet te vernietigen omdat we onze rooklust niet kunnen onderdrukken?
Fijn instrument van de diamantbewerker
Het lichamelijke bestaan moet beschermd worden. Het lichaam is als een instrument in de hand van een kunstenaar of ambachtsman. Het ambacht van diamantbewerker kan als voorbeeld dienen. Met de beste wil van de wereld kan een diamantbewerker zijn taak niet naar behoren vervullen, als hem geen geschikte werktuigen ter beschikking staan. Een defect in een instrument leidt ertoe, dat het product gebreken vertoont.
Het lichaam is een zeer fijn en delicaat instrument, waarmee de ziel haar taak op aarde kan vervullen. Het lichaam moet perfect functioneren wil de mens aan zijn doel beantwoorden. Het Hebreeuwse woord voor ziek zijn (chole) betekent ook zwak zijn, wat inhoudt, dat de band tussen ziel en lichaam zwakker wordt met als gevolg, dat de mens minder in staat is zich te wijden aan hogere zaken.
In verschillende kringen is men eraan gewend de materiële wereld als inferieur te beschouwen. Met name het lichaam wordt gezien als een zak beenderen, die als een lastig substraat voor de ziel wordt ervaren; lastig omdat het de geestelijke ontplooiing bemoeilijkt en soms onmogelijk maakt. Het Jodendom gaat ervan uit, dat de materie in het algemeen en het lichaam in het bijzonder juist het brandpunt van de Schepping vormen.
G´dsverduistering
Toen G’d zijn scheppingswerk aanving, was de eerste beweging ´tsimtsoem´ – G’ddelijke zelfbeperking. G´ds aanwezigheid in het heelal moest worden verduisterd en teruggedrongen om zelfstandig en van Hem onafhankelijk leven mogelijk te maken. Zonder tsimtsoem zou het leven onmogelijk zijn geweest. Ieder hoger of lager wezen zou onmiddellijk verteerd worden en opgaan in de allesomvattende G’dheid.
G´ds licht moest worden afgeschermd om ruimte te scheppen voor onafhankelijk leven. Zelfs in de hoogste Engelenwerelden vond tsimtsoem plaats omdat geen wezen het G’ddelijk licht in volle omvang verdragen kan. Door de G´dsverduisterende tsimtsoem ontstonden steeds meer concrete wereldsferen.
De kwaliteit van iedere wereld wordt bepaald door de mate waarin G´d Zichzelf beperkt. Onze fysieke wereld vormt het eindpunt van de afdalende en steeds grover wordende G´ddelijke Zelfbeperking. De aardse materie vormt het hoogste doel van de reeks G´ddelijke afdalingen.
Dat onze materiële wereld het doel vormt van de Schepping kan verduidelijkt worden met de volgende vergelijking. Ik zit in de trein vanaf Amsterdam CS. Tegenover mij zit een medepassagier: bij Schiphol, Leiden, Den Haag HS, Rotterdam CS, Dordrecht en Roosendaal blijft hij zitten. In Antwerpen stapt hij uit. Pas bij deze laatste halte begrijp ik het reisdoel van mijn medepassagier.
Mutatis mutandis geldt hetzelfde bij de Scheppingstsimtsoem: G’d passeerde alle andere werelden totdat Hij uiteindelijk bij onze wereld halt hield. Vandaar, dat wij mogen aannemen dat de fysieke wereld het eigenlijke Scheppingsdoel vormt. Zo bestaat het doel van de fysieke wereld weer in de mens, die als laatste creatuur op aarde verscheen.
Grootste Scheppingskracht
Het bestaan van de materie die zo op het oog uitsluitend onderworpen lijkt aan de natuurwetten, is een paradox die het wonder van de Schepping vormt. In onze fysieke wereld wordt de G’ddelijke aanwezigheid verhuld en verduisterd. Dit heeft een bepaalde betekenis en bedoeling. De materie – als ultieme verhulling van het Oneindige – moet op ieder moment door een immense Schep-pingskracht in stand worden gehouden.
Daarom is de materiële wereld het grootste spanningsveld tussen aan de ene kant verduistering en aan de andere kant openbaring van het G’ddelijke. Alle werelden die geschapen werden, vertonen een bepaalde samenhang.
Onze wereld wordt gezien als basis en drager van alle hogere en lagere werelden. Evenals het wel en wee van de fundamenten van een gebouw invloed hebben op hogere verdiepingen, zo ook bepaalt het handelen in de fysieke sfeer de G’ddelijke Uitstraling in de hogere werelden. Op deze gedachte doel ik met de frase, dat de fysieke wereld het brandpunt vormt van de Schepping.
Het lichaam van de mens is onmisbaar bij het uitvoeren van zijn religieuze en sociale taak hier op aarde. Daarom krijgt de arts als hoeder van het lichamelijk aspect van ons bestaan zoveel aandacht en respect.
Ben ik echter mijn broeders hoeder?
Ik heb hem niet nodig omdat ik zelf de beslissing moet nemen het roken af te zweren en mijn lichaam gezond te houden!
De Joodse voorschriften
Hoe wij omgaan met levensgevaar wordt tot in de details geregeld, een typisch kenmerk van onze ´wettische´ religie. Vrijwel alle mitsvot (geboden) van de Tora worden terzijde geschoven in geval van levensgevaar; dit geldt ook voor een pasgeboren kind van een dag oud (zie Sj.A. J.D. 158 en Ch.M. 424). Wanneer de zieke zich tegen behandeling verzet, overreedt men hem om de behandeling te aanvaarden. Het is een ernstige zonde om zich te gedragen als een vrome dwaas, om zich niet te laten genezen wegens een of ander verbod. Over zo iemand wordt gezegd (Bereesjiet 9:5): „Maar jullie bloed, jullie leven zal Ik opeisen”.
Iemand die zich haast om Sjabbat te ontheiligen voor een zieke in levensgevaar, komt slechts lof toe. Iedereen, die Sjabbat ontheiligd heeft om te redden uit levensgevaar, ook al blijkt (achteraf) dat het niet nodig was, wordt beloond.
Als een dokter bijvoorbeeld zegt: „Deze patiënt heeft een vijg nodig”, tien mensen horen dat, rennen weg, plukken een vijg en brengen die aan de zieke, dan zullen zij allen door G´d beloond worden, zelfs al geneest de patiënt al na de eerste vijg. We mogen dus bijna alles doen om een leven te redden. Dan moeten we ook hemel en aarde bewegen om alle zaken – zoals roken – die ons leven (kunnen) bedreigen na te laten, te ontmoedigen en/of zonder meer te verbieden.
Levensgevaar altijd afwenden
Het menselijk leven staat centraal in het Jodendom. Zelfs bij twijfelachtig levensgevaar is het geboden om daarvoor Sjabbat te overtreden of andere verboden uit de Tora (indien nodig). Niets is belangrijker dan het afwenden van levensgevaar.
De Tora is alleen gegeven om er mee te leven, zoals er geschreven staat (Vajjikra 18:5) „En jullie zult Mijn instellingen en rechtsvoorschriften in acht nemen, dat de mens ze zal uitvoeren en erdoor in leven blijft”.
De Geleerden in B.T. Sanhedrin 74a verklaren: „Je zult erdoor leven maar er niet van doodgaan.” Zelfs als roken het leven alleen maar zou kunnen bedreigen – twijfelachtig levensgevaar – wordt het dus door de Tora verboden. Het Jodendom beschermt het leven onder alle omstandigheden. Stop it…Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is!
