Een drasha over Chukat–Balak in de geest van Rebbe Nachman z”l
Door: Yisrael Yitzchak Rosenfeld
Chukat en Balak lijken op het eerste gezicht twee volledig verschillende onderwerpen te behandelen.
In Chukat lezen we over de Parah Adumah—de Rode Vaars, het meest mysterieuze gebod in de Tora. Een statuut (chok) dat zelfs koning Salomo niet volledig begreep.
In Balak horen we de zegeningen van Bilam, die Israël wilde vervloeken maar in plaats daarvan de grootste zegeningen uitsprak. Toch delen beide parasjot misschien een gemeenschappelijke boodschap:
Zelfs uit de diepste val kan de grootste openbaring voortkomen.
Onze wijzen leren dat de Parah Adumah de rectificatie van de zonde van Adam vertegenwoordigt. Zelfs haar naam verwijst hiernaar.
- “Parah” herinnert aan “pri”—de vrucht van de Boom van Kennis.
- “Adumah” verwijst naar Adam.
Uit de “Pri Adam”—de vrucht van de mens—kwam de eerste val van de mensheid voort.
Maar juist daar, waar de breuk begon, had HaSjeem reeds de genezing voorbereid.
Dit is een gedachte die door de leer van Rebbe Nachman z”l heen loopt:
Er is geen plaats in de wereld waar HaSjeem niet aanwezig is.
En daarom is er geen val waarvan men niet opnieuw kan opstaan.
De Parah Adumah gaat over de zwaarste van alle onreinheden—de onreinheid van de dood.
Waarom?
Omdat de dood de grootste vorm van scheiding vertegenwoordigt.
- Scheiding tussen lichaam en ziel.
- Scheiding tussen mens en het gevoel van goddelijke nabijheid.
- Scheiding tussen wat wij zijn en wat wij zouden kunnen zijn.
Maar juist uit deze scheiding komt de mogelijkheid van hernieuwde verbinding voort.
Rebbe Nachman z”l leerde:
“Als je gelooft dat het mogelijk is om te vernietigen, geloof dan ook dat het mogelijk is om te herstellen.”
De Tora toont ons via de Parah Adumah dat zelfs waar alles verloren lijkt, de kracht van vernieuwing verborgen ligt.
Misschien is dit ook de diepere betekenis van haar rode kleur.
Rood herinnert aan fouten, falen, bloed en menselijke sterfelijkheid.
Maar juist diezelfde rode koe wordt een instrument van zuivering.
Dit is een van de grote fundamenten van het Jodendom:
Precies de plek waar een mens gevallen is, kan het beginpunt van zijn opgang worden.
Dan komen we bij de woorden van Bilam:
“Hij ziet geen onrecht in Jakob en geen misdaad in Israël; HaSjeem, zijn God, is met hem.”
De Kotzker Rebbe z”l vraagt: wanneer ziet HaSjeem geen zonde?
Het antwoord is:
Wanneer “HaSjeem Elokav imo”—wanneer een mens verbonden leeft met HaSjeem.
Rebbe Nachman z”l zou hieraan misschien toevoegen:
HaSjeem ziet in iedere Jood het punt dat nooit bezoedeld kan worden.
De innerlijke vonk.
De Nekudah Tovah.
Zelfs wanneer een mens naar zichzelf kijkt en alleen duisternis ziet, ziet HaSjeem nog steeds dat ene goede punt.
En als HaSjeem dat ziet, dan moeten ook wij leren het te zien.
Niet alleen in anderen.
Vooral in onszelf.
Want de Yetzer Hara probeert een mens voortdurend te overtuigen:
“Je bent te ver gevallen.”
“Je hebt te veel fouten gemaakt.”
“Voor jou is er geen weg terug.”
Maar de Parah Adumah antwoordt:
- Zelfs uit de plaats van dood wordt zuivering geboren.
- Zelfs uit duisternis kan licht ontstaan.
- Zelfs uit een val is opgang mogelijk.
En Bilam, Israëls vijand, wordt gedwongen te getuigen:
HaSjeem heeft Zijn volk nooit verlaten.
Daarom zegt Rebbe Nachman z”l dat de belangrijkste eigenschap van een Jood hoop is.
Nooit opgeven.
Nooit wanhopen.
Altijd opnieuw beginnen.
Vandaag.
Nu.
Op dit exacte moment.
Misschien is dit de boodschap van Chukat en Balak:
- Zoek niet naar het slechte—niet in jezelf en niet in anderen.
- Zoek naar het punt waar HaSjeem nog steeds aanwezig is.
- Zoek naar die Nekudah Tovah.
- Zoek naar verbinding.
Want daar, waar een mens zelfs maar een kleine vonk van heiligheid ontdekt, is de verlossing al begonnen.
Moge het ons gegeven zijn om onszelf en anderen met een goed oog te bekijken.
Moge wij altijd horen dat “HaSjeem Elokav imo”—HaSjeem is met ons.
En moge wij nooit vergeten wat Rebbe Nachman z”l steeds opnieuw leerde:
Er is helemaal geen wanhoop in de wereld.
Volledige ye’ush bestaat niet.
