Door Jisraël Jitschak Rosenfeld
Er is een gebod in de Tora waarop zelfs de wijste van alle mensen is stukgelopen.
Over de Para Adoema, de rode koe, zei koning Sjlomo:
“Ik zei: ik zal wijs worden – maar zij bleef ver van mij.”
Zij reinigt de onreine, maar maakt tegelijk de reine onrein. Zij is dé chok (onbegrijpelijk voorschrift) bij uitstek: een goddelijke wet waarvan de reden voor de mens niet te doorgronden is.
In meer dan duizend jaar zijn nauwelijks negen van zulke koeien bereid.
Vrijwel iedereen beschouwt haar als het grote raadsel van de Tora. Geleerden hebben boekdelen volgeschreven over haar verborgen betekenis.
En toch, zegt Rav Naftali Tsvi Jehuda Berlin, de Netziv van Volozjin (z.l.), ligt haar diepste boodschap niet allereerst in mystiek, maar in een waarschuwing – een waarschuwing die veel dichter bij ons staat dan ons lief is.
Wij kennen dit verschijnsel ook buiten de Tora.
Iemand zegt één verkeerd woord, en onmiddellijk stort een zwerm mensen zich op hem – vaak juist de mensen uit zijn eigen kring – omdat hij niet zuiver genoeg zou zijn.
Elke gemeenschap, of zij nu religieus of seculier is, stelt vroeg of laat dezelfde vraag:
“Wie is eigenlijk zuiver genoeg?”
En die kring wordt steeds kleiner, totdat hij zich uiteindelijk tegen de eigen mensen keert.
We hebben het allemaal gezien: hoe verontwaardiging verandert in een deugd; hoe degene die het hardst roept zich voordoet als de meest zuivere; totdat uiteindelijk ijver zelf de maatstaf wordt – en niet langer de waarheid.
De Tora beschreef deze ziekte al lang voordat het internet bestond.
En haar naam is verrassend.
Het is niet de zonde van degene die te weinig doet.
Het is de zonde van degene die heiliger wil zijn dan de Tora toestaat.
Denk aan Korach.
Wij herinneren ons een opstandeling, een man die naar macht greep, en de aarde die zich opende om hem te verslinden.
Maar de Netziv richt onze aandacht juist op de tweehonderdvijftig mannen die met hun vuurpannen voor het Heiligdom verschenen.
Het waren geen cynici.
Integendeel.
Hij noemt hen: Gedolee Jisraeel, werkelijk grote mannen van Israël, in alle opzichten – ook in hun godsvrees.
Wat hen dreef was geen hoogmoed, maar liefde.
Hun verlangen was om HaSjeem even nabij te mogen zijn als de Koheen Gadol, de Hogepriester; om te branden van nabijheid tot Hem.
Zij waren bereid daarvoor te sterven.
Zoals er staat: “Sterk als de dood is de liefde.”
Wie hen destijds had ontmoet, zou waarschijnlijk jaloers op hen zijn geweest.
En juist dit verlangen – het mooiste verlangen dat denkbaar is – werd hun ondergang.
De Tora noemt hen met hun vuurpannen: “degenen die tegen hun eigen ziel gezondigd hebben.”
Niet omdat zij te weinig verlangden.
Maar omdat zij te veel verlangden.
Hier raakt de Netziv aan een gedachte die in de chassidoet steeds opnieuw wordt uitgewerkt.
Het hoogste verlangen van de ziel is zelfs niet om HaSjeem te dienen.
Het diepste verlangen van de ziel is om geheel in HaSjeem op te gaan.
Elke ziel draagt, diep vanbinnen, een herinnering aan haar oorsprong.
Zij komt voort uit een wereld van volmaakte eenheid en draagt een onuitsprekelijk verlangen in zich om daarnaar terug te keren.
De Zohar beschrijft de ziel als een vlam die terugverlangt naar haar oorsprong, zoals een kaarsvlam zich uitstrekt naar het grote vuur waarvan zij afkomstig is.
Maar juist daarin schuilt het gevaar.
Deel II – Parasja Choekat–Balak
Juist hier ligt het gevaar.
Rabbi Nachman van Breslov (z.l.) leert dat de volmaaktheid niet ligt in ratzo – het zich uitstrekken naar HaSjeem – maar in ratzo wasjov: heen gaan én terugkeren.
De ziel moet opstijgen.
Maar zij moet ook terugkeren.
Zij moet branden.
Maar zij moet in het lichaam blijven.
Zij moet de hemel aanraken – en daarna weer met beide voeten op de aarde staan.
De tweehonderdvijftig mannen verlangden slechts naar ratzo.
Zij wilden de nabijheid van HaSjeem, koste wat kost.
Zij wilden zichzelf verliezen in het vuur van de heiligheid.
Maar HaSjeem heeft de mens niet als een engel geschapen.
Een engel mag uitsluitend branden.
Een mens moet terugkeren.
Daarom stierven zij.
Niet omdat hun liefde verkeerd was.
Maar omdat hun liefde groter was geworden dan hun gehoorzaamheid.
Zij hielden meer van de nabijheid van HaSjeem dan van Zijn wil.
En de wil van HaSjeem luidde:
“Blijf beneden.”
Bij de berg Sinaï trok Hij Zelf een grens rondom de berg.
“Tot hier – en niet verder.”
De tweehonderdvijftig probeerden over die grens heen te klimmen om dichter bij HaSjeem te komen.
Maar over die grens heen willen gaan – zelfs om Hém tegemoet te gaan – betekent juist de val.
En dit is geen op zichzelf staand voorval.
De Netziv trekt deze lijn door de hele Tora.
De nazireeër, die zich vrijwillig wijn ontzegt om geestelijk hoger te stijgen, moet uiteindelijk een zondoffer brengen.
Waarom?
Omdat iemand die zichzelf kwelt om een geestelijke hoogte te bereiken waarvoor hij niet geschapen is, uiteindelijk tegen zichzelf zondigt.
De Rambam legt dit zelfs als halacha vast.
Wie zichzelf meer onthoudt dan de Tora voorschrijft, wijkt af van de rechte weg.
Zoals Koning Sjlomo zegt:
“Wees niet al te rechtvaardig.”
(Kohelet 7:16)
Ook Nadav en Avihoe, de twee zuiverste zonen van Aharon, betraden het Heiligdom — uit het brandende vuur van hun liefde voor HaSjeem.
En de Tora lijkt als het ware te zeggen:
Ja, deze liefde is Mij dierbaar.
Maar niet langs deze weg.
Het vuur van liefde dat zij brachten, werd het vuur dat hen verteerde.
De Netziv verbindt deze gevallen uitdrukkelijk met elkaar:
Sjimon en Levi.
Nadav en Avihoe.
De tweehonderdvijftig mannen.
Allen werden gedreven door dezelfde kracht:
“Een verlangen dat de juiste maat te boven ging“.
De rode koe – Para Adoema
En nu begint alles op zijn plaats te vallen.
Want de Para Adoema dient uitsluitend om reinheid te herstellen.
Niet om extra heiligheid te creëren.
De Tsedoekim konden zich daar niet bij neerleggen.
Zij stonden erop dat de ceremonie uitsluitend zou worden uitgevoerd door iemand die volkomen ritueel rein was.
Met andere woorden:
Zij wilden het heiliger maken dan de Tora zelf voorschreef.
Op een keer meldde zich inderdaad zo’n “volmaakt reine” priester.
Toen dwong Rabban Jochanan ben Zakkai hem, ten overstaan van iedereen, zich opnieuw onder te dompelen, zodat hij de dienst juist in een minder volmaakte staat van reinheid zou verrichten.
Waarom?
Om publiekelijk duidelijk te maken dat de Tora niet vraagt om een strengheid die zij zelf niet heeft voorgeschreven.
En toen de Para Adoema eens volgens de opvatting van de Tsedoekim was bereid, deden de Wijzen iets wat nauwelijks te bevatten is.
Zij strooiden de as weg.
Zij vernietigden de zeldzaamste en heiligste substantie die de wereld kende.
Niet omdat zij onrein was.
Maar omdat zij uit een verkeerd begrip van heiligheid was voortgekomen.
De Netziv noemt dit: “het afbreken van de wegen van de Tora.”
Niet openlijke zonde vormt altijd het grootste gevaar.
Soms ontstaat de grootste verwoesting juist wanneer mensen heiliger willen zijn dan HaSjeem Zelf van hen verlangt.
Deel III – Parasja Choekat–Balak
Misschien ligt hierin wel het diepste geheim van de Para Adoema.
De rode koe herstelt de onreinheid die ontstaat door aanraking met de dood.
Maar wat betekent dood in de taal van de kabbala?
Dood is scheiding.
Het moment waarop licht en vat uit elkaar vallen.
Het goddelijke licht blijft bestaan, maar het vat dat het moest bevatten, is verdwenen.
De tweehonderdvijftig mannen zochten licht zonder vat.
De Tsedoekim zochten reinheid zonder menselijkheid.
De ijveraars zochten waarheid zonder vrede.
Allen verlangden naar het licht.
Maar HaSjeem woont niet in het licht alleen.
De Arizal leert dat de wereld brak omdat de vaten het goddelijke licht niet konden bevatten.
De heiligheid van de Tora bestaat daarom niet uit het steeds aantrekken van méér licht.
Zij bestaat erin zelf een vat te worden.
Een vat is geduld.
Een vat is nederigheid.
Een vat is zelfbeheersing.
Een vat is het vermogen een andere Jood zijn eigen weg te laten gaan, ook wanneer hij niet leeft zoals ik leef.
Waar deze houding uiteindelijk toe leidt
Waar deze geesteshouding uiteindelijk op uitloopt, zien wij bij de verwoesting van de Tweede Tempel.
Tijdens de belegering van Jeruzalem lagen er voedselvoorraden opgeslagen die voldoende waren om de stad eenentwintig jaar te onderhouden.
Maar het waren juist de ijveraars,
de compromislozen,
de mensen die zichzelf als de zuiveren beschouwden,
die deze voorraden in brand staken om de bevolking tot oorlog te dwingen.
Wie vrede wilde sluiten, werd als verrader beschouwd.
Niet Rome brak Jeruzalem van binnenuit.
Het was de fanatieke “zuiverheid” van de eigen ijveraars die de stad ten val bracht.
De diepere analyse van de Netziv
De Netziv gaat nog een stap verder.
Over de generatie van de Tweede Tempel schrijft hij:
“Het waren tsaddikiem en chassidiem. Zij spanden zich met heel hun hart in voor de studie van de Tora. Maar zij waren niet oprecht in hun omgang met elkaar.”
Door sin’at chinam – ongegronde haat – begonnen zij iedereen die HaSjeem op een andere manier diende onmiddellijk te verdenken.
Iedereen die niet precies hun weg volgde, werd als een ketter beschouwd.
En dan volgt een van de meest aangrijpende uitspraken uit de hele Netziv.
Hij schrijft:
De Heilige, gezegend zij Hij, kan zulke tsaddikiem niet verdragen – zelfs wanneer zij handelen omwille van de Hemel.
Bij deze woorden moeten wij stilstaan.
Want de Netziv schreef dit niet over sociale media.
Niet over “de andere kant”.
Niet over de seculiere wereld.
Hij was Rosj Jesjiva van Volozjin.
Hij schreef dit over Amelei Tora – mensen die zich dag en nacht met Tora bezighouden.
Met andere woorden:
Hij schreef dit over mensen zoals wij.
Want voor iemand die geestelijk groeit ligt de verleiding meestal niet in te weinig doen.
De verleiding is veel subtieler.
Langzaam neerkijken op degene die minder streng leeft.
Op degene die moderner is.
Op degene die mijn persoonlijke strengheden niet deelt.
Dat stille oordeel.
Die choemra die uitgroeit tot een muur tussen twee Joden.
Die verfijnde minachting die zich voordoet als ernst.
Die afstandelijkheid die zichzelf “trouw aan HaSjeem” noemt.
En precies op het moment dat wij denken:
“Nu ben ik werkelijk vroom.”
zegt de Netziv:
Dat is de tsaddiek die HaSjeem niet kan verdragen.
Deel IV – Parasja Choekat–Balak
Daarom noemen onze Wijzen het eerste boek van de Tora, Bereisjiet, ook wel het Boek van de Jesjarim – het Boek van de Oprechten.
Niet het Boek van de Tsaddikiem.
Maar het Boek van de Jesjarim.
Dat is veelzeggend.
De Tora had het immers ook het boek van de rechtvaardigen kunnen noemen.
Maar zij kiest voor een ander woord:
Jesjarim – mensen die recht, oprecht en eerlijk zijn.
Waarom?
Omdat Avraham Avinoe, de vader van ons allen, zelfs bad voor Sedom.
Hij verlangde naar het goede, zelfs voor mensen die alles verwierpen waarvoor hij zelf leefde.
Daarin ligt misschien wel de hoogste trap van de Tora.
Niet een heiligheid die zich tégen de mens richt.
Maar een heiligheid die juist zichtbaar wordt in de manier waarop wij omgaan met de mens naast ons.
Misschien is dát wel de diepste vorm van devekoet, verbondenheid met HaSjeem.
Niet verdwijnen in HaSjeem.
Maar Hem zó liefhebben, dat je blijft op de plaats waar Hij je heeft neergezet.
De tweehonderdvijftig mannen wilden de hemel bereiken.
Avraham opende zijn tent.
De eersten werden door het vuur verteerd.
De Ander werd de vader van de mensheid.
Daarmee sluit zich ook de cirkel van de Para Adoema.
Ware reinheid herken je niet aan iemand die hoog boven de mensen lijkt uit te stijgen.
Maar aan iemand die oprecht tussen de mensen wandelt.
Niet omdat Avraham Avinoe minder heilig zou zijn geweest dan de tweehonderdvijftig mannen.
Integendeel.
Zijn heiligheid was groter.
Want zijn heiligheid zocht de ander, in plaats van hem te veroordelen.
Daarom is de vraag uiteindelijk niet:
Ben ik wel vroom genoeg?
De werkelijke vraag luidt:
Ben ik oprecht?
Ben ik heilig op een manier die de mens naast mij groter maakt…
…of kleiner?
Dat is de heiligheid die HaSjeem kan verdragen.
En misschien is juist dát de heiligheid die de Derde Tempel zal terugbrengen.
Nawoord
Dit essay van Jisraël Jitschak Rosenfeld is grotendeels gebaseerd op de visie van de Netziv van Volozjin uit zijn Ha’amek Davar (met name bij Bemidbar 16–17 en zijn beroemde inleiding op Sefer Bereisjiet), aangevuld met gedachten uit de chassidische en kabbalistische traditie (onder meer Rabbi Nachman van Breslov, de Zohar en de Arizal).
De centrale boodschap is zowel indringend als tijdloos: de grootste geestelijke valkuil is niet een tekort aan heiligheid, maar een heiligheid die losraakt van nederigheid, menselijkheid en gehoorzaamheid aan de wil van HaSjeem. De ware jesjar, de oprechte mens, is daarom hoger dan degene die alleen maar steeds strengere religieuze eisen aan zichzelf en anderen stelt.
Zoals Avraham Avinoe laat zien, openbaart de hoogste vorm van heiligheid zich uiteindelijk in liefde, barmhartigheid en respect voor de medemens.
