Door: Jisrael Jitzchak Rosenfeld
Sjabbat sjalom chaverim, na Sjabbat komt Sjabbat, dus gaan we verder in de Tora.
In de wekelijkse Tora-lezing stelt Korach Mosje Rabbenoe ter discussie.
Wat stoorde Korach precies zo aan het gebod van de tzitziet?
Wat maakte hem zo fel tegen het hele concept van het priesterschap en de Levieten?
Waarom stond hij er zo op dat iedereen gelijk moest zijn?
HaChalban (moge zijn nagedachtenis tot zegen zijn) verklaart:
Korach kon niet geloven
dat heiligheid te vinden is op “lage” of onopvallende plaatsen.
Hij was van mening
dat Hasjem zo groot en verheven is,
dat Zijn heiligheid wel in het geheel van het kleed te vinden is
– maar niet in de kleine draadjes.
Hij kan aanwezig zijn in het gehele volk,
maar niet in de individuele details binnen dat volk
– niet in de Leviet,
niet in de Kohen,
niet in ieder afzonderlijk onderdeel.
Ook vandaag zijn er nog religies
die de logica van Korach volgen:
Ja, er is een G-d, en HIJ is oneindig groot.
Maar praktische mitswot?
Goddelijke voorzienigheid tot in het kleinste detail?
Dat is te veel gevraagd.
De basis van ons geloof is dit:
Dat heiligheid reikt tot elke plaats,
tot in elk detail
–tot bij mij, waar ik mij ook bevind.
Dat is de grootheid van Hasjem!
Moge wij het niveau bereiken waarop we het geheel omvatten,
zonder daarbij de oneindige waarde van elk afzonderlijk detail te vervagen!
