Van: Jisrael Jitzchak Rosenfeld
Vijf tragedies troffen ons volk op 17 Tammoez:
- De Wetstafelen (Loechot HaBriet) werden gebroken
- Het dagelijkse offer (Korban Tamid) werd stopgezet
- De muren van Jeruzalem werden doorbroken
- Een Torah-rol werd verbrand
- Een afgodsbeeld werd in het Heiligdom (Heichal) geplaatst
De zwaarte van vier van deze tragedies is makkelijker te begrijpen, vooral in vergelijking met het breken van de Wetstafelen
– een van de grootste rampen uit onze geschiedenis.
Het afgodsbeeld in het Heiligdom weerspiegelt het Gouden Kalf,
dat leidde tot het breken van de Wetstafelen.
Het verbranden van de Torah lijkt op het breken van de Wetstafelen zelf
– de Torah, verscheurd.
De doorbraak in de muren van Jeruzalem?
Een fysieke echo van de spirituele breuk.
Maar wat met het wegvallen van het dagelijkse offer?
Wat is daaraan zo verwoestend?
Er is iets dat we moeten begrijpen:
Datgene wat een Jood
in zijn Joodse leven steeds doet
– wat nooit onderbroken wordt,
datgene
wat dag na dag gebeurt,
die bestendigheid
– precies dat is wat ons al duizenden jaren bijeenhoudt.
En wanneer dit
– G”d verhoede – ooit stopt,
wanneer we dit „Tamid“,
dit
„altijd“ verliezen,
dan is dat een teken dat de vernietiging nabij is.
Dat is een reden tot rouw.
Dat is een reden om luid te klagen.
En dat is iets dat we opnieuw kunnen opbouwen.
We moeten de gebroken Wetstafelen weer samenvoegen,
het afgodsbeeld uit het Heiligdom verwijderen
en de muren van Jeruzalem herstellen
– door onze bestendigheid te versterken.
Door vast te houden aan wat we dagelijks doen.
Ononderbroken.
Zonder pauze.
Met het hart.
