Door Yisrael Yitzchak Rosenfeld
Deze week bevinden wij ons in de parasja Pinchas.
Reeds de naam zelf opent een diepgaande poort.
Op een dieper niveau kan zij worden gelezen als twee delen:
Pan en Chas.
Pan (פן) herinnert ons aan Paniem – het gelaat.
In de Tora staat het gelaat voor openbaring.
Wanneer wij iemands gezicht zien, herkennen wij onmiddellijk wie die persoon is.
Wanneer wij echter alleen zijn rug zien, blijft er altijd een zekere onzekerheid bestaan.
Het gelaat openbaart de identiteit.
Chas betekent mededogen, barmhartigheid en liefdevolle goedheid.
Zo draagt de naam Pinchas reeds een diepgaande boodschap in zich:
De openbaring van barmhartigheid.
Het gelaat van het mededogen wordt zichtbaar – juist in een parasja waarvan de gebeurtenissen aan de oppervlakte allesbehalve barmhartig lijken.
Toch is er nog een diepere laag.
Het woord Chas (חס) bestaat uit de letters Chet (ח) en Samech (ס).
Deze twee letters vormen de wezenlijke tweelettige wortel van een van de meest centrale begrippen binnen de Kabbala:
Chesed.
Chesed bestaat uit Chet (ח), Samech (ס) en Dalet (ד).
Structureel gezien is Chesed niets anders dan Chas dat zich uitstrekt naar de Dalet (ד).
Waar staat de Dalet voor?
De naam zelf komt van het woord Dal (דל):
de arme,
de behoeftige,
de mens
die met lege handen voor een ander staat.
In de innerlijke dimensie van de Tora vertegenwoordigt de Dalet eveneens de Sjechina –
de inwoning van HaSjeem.
De Zohar beschrijft Malchoet, de laagste van de Sefirot, als Aniyah – arm –
omdat zij niets van zichzelf bezit.
Zij ontvangt alles.
Zij is het zuivere vat.
Hierdoor wordt de diepste betekenis van Chesed zichtbaar:
De liefdevolle overvloed van de gever stroomt in het lege vat van de ontvanger.
Daarom geldt:
wanneer wij ook maar aan één mens geven,
helpen wij niet slechts een individu.
Wij geven aan de Sjechina zelf.
De Talmoed (Sanhedrin 37a) leert dat ieder mens een Olam Katan is – een volledige wereld in het klein.
Het geheel weerspiegelt zich in het individu.
Wie aan één mens geeft, geeft uiteindelijk aan de gehele schepping.
Dit idee krijgt nog meer diepte wanneer wij kijken naar de vierletterige Naam van HaSjeem:
Jod–Hee–Waw–Hee (י־ה־ו־ה).
De structuur van deze Naam beschrijft op zichzelf reeds de daad van tsedaka.
De Jod (י) is slechts één enkel punt.
Hij lijkt op een muntstuk –
een geconcentreerde druppel goddelijke zegen die van boven neerdaalt.
De eerste Hee (ה), met de getalswaarde vijf, bevat in haar vorm zowel een Dalet (ד) als een Jod (י).
Samen vormen zij het woord Jad (יד) –
de hand.
Het is de hand boven,
die de munt vasthoudt.
De Waw (ו) is de uitgestrekte verbinding.
Zij is de arm die zich uitstrekt –
de schakel tussen
gever
en ontvanger.
Tenslotte is de laatste Hee (ה)
de geopende hand beneden –
het vat dat gereed is om te ontvangen.
Zo beschrijft de Naam van HaSjeem zelf het proces van geven.
Iedere keer dat wij tsedaka geven, verrichten wij niet slechts een uiterlijke mitswa.
Met onze eigen handen tekenen wij als het ware de letters van Zijn Naam.
Daarom staat de Tora ons slechts op één gebied toe HaSjeem te beproeven.
De profeet Maleachi (3:10) verklaart:
“Breng de gehele tiende naar het voorraadshuis… en beproef Mij hiermee, zegt HaSjeem der Heerscharen, of Ik dan niet de sluizen van de hemel voor u zal openen en zegen over u zal uitstorten zonder maat.”
“Bechanoeni na bazot” –
“Beproef Mij hierin.”
Alleen met betrekking tot tsedaka nodigt HaSjeem Zelf ons uit deze verbinding tussen geven en ontvangen te ervaren.
Want tsedaka brengt de mens in overeenstemming met de innerlijke structuur van de Goddelijke Naam.
Wie geeft, stemt zichzelf af op een werkelijkheid waarin geven zelf verweven is met de orde van de schepping.
De Talmoed (Soeka 49b) drukt dit nog krachtiger uit:
“Tsedaka is groter dan alle offers.”
Evenzo schrijft de Rambam in Hilchot Matanot Anijiem (10:2) dat niemand ooit arm is geworden door het geven van tsedaka, en dat uit vrijgevigheid nooit schade voortkomt.
Hij baseert zich daarbij op Spreuken 28:27:
“Wie aan de arme geeft, zal geen gebrek lijden.”
De wiskunde van de hemel volgt een andere logica dan de wiskunde van de aarde.
De Ba’al HaTanja gaat in zijn Iggeret HaKodesj nog een stap verder.
Hij leert dat in de periode onmiddellijk voorafgaand aan de komst van de Masjiach, tsedaka de hoogste vorm van tikkoen – geestelijke herstel en verfijning – wordt.
Geen enkele andere mitswa zuivert de ziel in deze tijd zo krachtig of bereidt zowel de mensheid als de wereld zozeer voor op de uiteindelijke verlossing.
Daarom leren de chassidische meesters dat iedere daad van vrijgevigheid wordt beantwoord met een veelvoud aan zegen van boven.
Niet omdat wij een geestelijk mechanisme zouden manipuleren.
Maar omdat wij ons afstemmen op de innerlijke logica van de schepping.
De hand beneden opent zich.
De hand boven antwoordt.
En toch begint juist hier ons diepste innerlijke werk.
Misschien klinkt tijdens het lezen van deze woorden een stille stem in ons op:
“Als ik geef, zal ik er veel meer voor terugkrijgen.”
Die stem hoeft niet onderdrukt of veroordeeld te worden.
Zij is de Ratzon leKabel –
het verlangen om voor zichzelf te ontvangen.
Dat verlangen is niet slecht.
Het vormt het ruwe materiaal van de menselijke ziel.
Maar wanneer het de enige drijfveer voor het geven blijft,
verliest de mitswa haar hoogste licht.
De diepste vorm van tsedaka is geven om het geven zelf.
De daad zelf wordt de beloning.
Want daardoor
wordt de ziel verfijnd,
wordt het collectieve bewustzijn verheven,
en wordt de wereld dichter gebracht bij het tijdperk dat door de Ba’al HaTanja, de eerste Rebbe van Chabad, werd beschreven.
Wanneer die berekenende stem tijdens het geven opkomt,
is dat juist het moment om te bidden:
“Meester van het Heelal, laat mijn geven zuiver zijn.
Help mij eenvoudig te geven om het geven zelf.
Laat mij Uw Sjechina herkennen in degene die gebrek lijdt.
Moge mijn mededogen de Dalet bereiken.
Moge het geven zelf mijn beloning worden.”
De hemel blijft geven.
De belofte van “Bechanoeni na bazot” blijft waar.
Maar de hoogste zielen –
degenen die door de Ba’al HaSoelam worden beschreven als mensen die hun Ratzon leKabel hebben omgevormd tot Ratzon leHashpia – het verlangen om te schenken –
geven zonder berekening.
Zij geven
omdat geven hen verbindt met de Gever.
Zij geven omdat daardoor dewekoet ontstaat –
hechte verbondenheid met HaSjeem.
Dat is het niveau
waarnaar wij behoren toe te groeien.
En zelfs wanneer onze intenties nog niet volledig zuiver zijn,
blijft iedere daad van geven oneindig kostbaar.
Want zonder de daad zelf zou er daarna geen mogelijkheid bestaan onze eigen intenties te onderzoeken en de afstand steeds kleiner te maken tussen waar wij vandaag staan en ons vermogen tot waarachtig altruïsme.
Mogen wij in deze week van Parasjat Pinchas levende uitdrukkingen worden van die naam:
mensen door wier handen het Gelaat van Barmhartigheid zichtbaar wordt.
