“En Awraham nam nogmaals een vrouw, wier naam Ketoera was” (25:1).
Deze Ketoera was eigenlijk Hagar. Maar ze wordt Ketoera (van ketoret – wierook) genoemd omdat zij zo goed was en haar daden zo aangenaam waren als wierook (Rasjie). Ook het Hebreeuwse woord voor `nogmaals’ geeft aan dat dezelfde handeling herhaald werd – zijn eerdere huwelijk met Hagar werd geprolongeerd.
Hagar was haar hoge niveau van religiositeit kwijt
De Kelie Jakar van Rabbi Efraim Luntschits (18e eeuw) vraagt zich af hoe Rasjie kan stellen, dat Hagars daden zo `aangenaam waren als wierook’? Eerder legt Rasjie op de woorden `zij ging heen en dwaalde door de woestijn’ (Gen. 21:14) uit, dat zij `dwaalde’ en terugkeerde naar de afgoderij van haar vader Phara’o.
Wat een terugval! Haar hoge niveau van religiositeit was zij kwijt toen zij Awrahams voordeur achter zich had dichtgeslagen. Awraham had haar verborgen neigingen niet zo door maar Sara des te meer. Met G’ddelijke blik doorzag zij Hagars en Jisjma’eels ware aard. Daarom konden zij niet in Jitschaks buurt blijven.
Maar later deden moeder Hagar en zoon Jisjma’eel tesjoewa, kwamen zij tot inkeer en zwoeren zij het polytheïsme geheel af. Na het overlijden van Sara hoorde Awraham hiervan en noemde hij Hagar voortaan Ketoera om hiermee aan iedereen te laten weten, dat hij oprecht overtuigd was van haar spijt.
Voor een ba’al tesjoewa – iemand die werkelijk berouw toont – worden slechte daden omgezet in verdiensten. Daarom wordt dit inkeer proces vergeleken met wierook – omdat ook daar een onwelriekend element (galbanum) als symbool van vroegere verwerpelijkheid werd meeverbrand in het offer.
Hertrouwen is een mitsva
Nadat zij bij Awraham was weggestuurd, was ze nooit hertrouwd. Het is een mitswa (goede daad) om te proberen te hertrouwen met een vrouw, waarvan men eerder gescheiden was (machzier geroesjato).
Toen Eliezer in opdracht van Awraham op reis ging om voor Jitschak een vrouw te zoeken, ging Jitschak op reis om voor Awraham een vrouw te zoeken omdat hij het ongepast vond, dat zijn vader ongehuwd zou blijven terwijl hij binnenkort zelf zou trouwen.
Het is bovendien een mitswa om – ook op oudere leeftijd (Awraham was toen 140 jaar) – nog te trouwen en kinderen te krijgen.
Men kan namelijk nooit weten welke kinderen `beter’ zullen zijn, de eerdere of de latere
Hetzelfde geldt voor Toralernen. Men moet altijd blijven leren. Men weet nooit welk `lernen’ beter is, het eerdere of het latere. Rabbi Akiva ervoer dit aan den lijve: zijn eerste 24.000 leerlingen stierven allemaal in de Omertijd, tussen Pesach en Sjawoe’ot.
Later leidde hij nog zeven talmidiem (leerlingen) op – Rabbi Meir, Rabbi Jehoeda, Rabbi Jose, Rabbi Sjimon, Rabbi Elazar ben Azarja, Rabbi Jochanan haSandlar en Rabbi Eliezer ben Ja’akov.
Deze grote Rebbes zorgden ervoor, dat de Tora in die moeilijke tijd van de Romeinse overheersing verspreid werd onder Israël.
Ook Awraham deed een hernieuwde poging. Bij Ketoera kreeg hij een zestal kinderen – Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jisjbak en Sjoe’ach – waar we verder niet meer veel van horen. Kennelijk waren zij niet zo een religieus succes.
De geestelijke erfenis ging naar Jitschak. Zij kregen hun aardse erfdeel direct en werden weggestuurd.
Zwarte magie
“Aan de kinderen van de bijvrouwen van Awraham gaf Awraham geschenken mee” (25:6).
In B.T. Sanhedrin 91 stellen onze Wijzen, dat Awraham de zonen – die hij naar het oosten wegstuurde – de `naam van onreinheid’ (zwarte magie) meegaf. Omdat zwarte magie – en alles wat daarmee in verband staat – verboden is, is het onbegrijpelijk dat Awraham deze kennis aan zijn kinderen meegaf.
Toch had Awraham hierbij een zeer religieuze bedoeling
Hij stuurde zijn zonen naar het oosten (sommigen zeggen dat de Brahmanen afstammen van deze kinderen van Abraham), een plaats van afgodendienaren. Daar gebruikte men allerlei occulte namen, om wonderen te verrichten en deze op het conto van een afgod te schrijven. Op deze manier lieten zij de mensen geloven in afgoderij.
Monotheïsme bevorderd
Daarom heeft Awraham hen de occulte namen en technieken meegegeven. Iedereen moest weten dat er geen G’ddelijke kracht achter afgoderij zit maar dat de afgodenpriesters gebruik maakten van duistere, occulte krachten in de Schepping, waarmee men ook bovennatuurlijke wonderen kan verrichten. Hiermee werd het monotheïsme bevorderd. Awraham was dus niet ontrouw aan zijn eigen beginselen geworden.
Awrahams hele leven stond in het teken van de strijd tegen afgoderij.
