Moeten we de Briet-mila midden op de dag doen omdat er dan veel mensen bij aanwezig kunnen zijn of is het beter om de mitswa van het besnijden zo vroeg mogelijk te doen?
“Midden op deze dag werden Awraham en zijn zoon Jisjmaeel besneden” (Bereesjiet 17:26).
De besnijdenis wordt altijd als een bijzondere gebeurtenis gevierd. Juist tegenwoordig ontstaan er veel moderne vragen rond deze gewichtige mitswa (gebod). Vaak worden we benaderd met de vraag wat beter is: om midden op de dag de Briet-mila te laten doen omdat er dan veel mensen bij aanwezig kunnen zijn of dat het beter is om de mitswa van het besnijden zo vroeg mogelijk te doen. Uit de Talmoed (B.T. Rosj Hasjana 32) blijkt in ieder geval dat het het beste is om zo vroeg mogelijk te besnijden na de neets hachama, de opkomst van de zon – midden in de winter is dat pas om 9.50 uur.
Awraham besneed zichzelf midden op de dag omdat hij duidelijk wilde maken dat hij voor niemand bang was om zijn religieuze opdrachten uit te voeren. Dit is ook de reden dat men bij een briet-mila een minjan (tien mannen) moet hebben om zoveel mogelijk ruchtbaarheid te geven aan deze grote mitswa.
Awraham besneed ook zijn hele huishouden en zijn 318 leerlingen. Sindsdien is besnijden primair een ouderlijke plicht. Maar wanneer er geen Briet-mila heeft plaatsgevonden, moet het plaatselijke Rabbinaat hiervoor zorgen door het sturen van een moheel (besnijder). Dit levert soms problemen op in verband met de afstand en met name op Sjabbat of de feestdagen. Wanneer donderdag en vrijdag Jom-tov zijn en het kind op Sjabbat besneden moet worden zit de moheel – meestal zonder zijn omvangrijke gezin – drie dagen vast in een gehucht ergens op de heide, zonder sjoel of `heimisje’ omgeving.
Is de moheel niettemin verplicht af te reizen en zo zijn Jom-tov simche te laten `versjteren’ – hoewel het vervullen van de mitswa op zich al tot vreugde stemt? Toch zit de moheel drie dagen klem in een afgelegen plaats. Rabbi Mosje Sternbuch paskent (beslist), dat de moheel een grote mitswa vervult door naar het kleine stadje te gaan om de beriet-mila uit te voeren maar dat hij niet werkelijk verplicht is om zijn `oneg sjabbat’ – Sjabbatgenot – en dat van zijn gezin hiervoor op te geven. Een besnijdenis op tijd – de achtste dag – is een duidelijke verplichting voor de ouders. Zij moeten dus alles in het werk stellen om het kind naar de plaats van de moheel te brengen als de besnijder niet naar het kind kan komen. Maar als dit – om medische redenen bijvoorbeeld – onmogelijk blijkt, is de moheel niet werkelijk gehouden een hele Sjabbat ver van zijn woonplaats te verblijven.
Niet alleen Awraham en Jitschak werden besneden maar ook Jisjmaeel:”En Jisjmaeel, zijn zoon, was dertien jaar toen hij besneden werd” (17:25). In de Zohar wordt verteld dat Rabbi Chija bij deze pasoek (vers) huilde. Awraham heeft lang op een kind moeten wachten. Uiteindelijk werd Jisjmaeel geboren. Awraham besneed hem. De kinderen van Jisjmaeel vervullen de besnijdenis nog steeds tot op de dag van vandaag. Dit is voor hen een zechoet (verdienste). Maar omdat ze alleen de opperhuid en niet het dunne onderhuidje wegsnijden en de mitswa van mila niet volledig vervullen hebben ze vele jaren in het land Israël mogen wonen maar alleen gedurende een weinig productieve periode.
Vlak voor de komst van de Masjie’ach zullen hun verdiensten ophouden en zullen ze niet meer kunnen heersen over het Heilige Land.
De Briet-mila heeft grote kracht. De Briet-mila is niet alleen een lichamelijke ingreep maar ook een geestelijke houding. De Briet-mila weerspiegelt het idee van tsenioet (ingetogenheid). De besnijdenis is gericht tegen peritsoet (promiscuïteit) in het dagelijkse, openbare leven. Perietsoet is een aantasting van het verbond met G’d. Door de Briet Mila bekrachtigen wij onze band met het Opperwezen, dat in ons lichaam gegrift is.
