Joods! Tora leren en leven.

Könige dürfen keine Kohanim aus dem Stamm Levi sein, noch aus dem Stamm Josef kommen, nur Könige aus dem Stamm Jehuda haben Anspruch auf den Thron

Joseef lijkt de ongekroonde koning tussen de broers. Maar uiteindelijk blijkt aan het einde van het boek Bereesjiet (Genesis) in de zegeningen op het sterfbed van onze derde aartsvader Ja’akov, dat een joodse koning alleen uit de stam Jehoeda recht heeft op de eeuwige troon.

Uiteindelijk werd dit de Davidische dynastie.

Kohaniem mogen geen koning worden, hoe goed en heilig ze ook zijn. Niettemin lijkt Maimonides (12e eeuw) in zijn codex (hilchot Megilla weChanoeka 3:1 e.v.) vrij positief te zijn over het koningschap van de Chasjmona’iem (Makkabiem):

“Gedurende de periode van de tweede Tempel, verordonneerden de Griekse koningen allerlei wrede besluiten tegen het joodse volk. Zij wilden de joodse religie vernietigen en lieten hen niet bezig zijn met Tora en de mitswot. De Grieken vergrepen zich aan joodse bezittingen en strekten hun handen uit naar de joodse vrouwen. Zij gingen het Heiligdom binnen, maakten daar veel kapot, en maakten alle reine dingen onrein. De Joden kwamen zwaar onder druk te staan totdat de G’d van hun voorouders medelijden met hen kreeg en hen redde uit de hand van hun vijanden. De zonen van Chasjmona’i, de Hogepriester, werden steeds sterker, doodden de Grieken, redden de joden uit de handen van hun vijanden en stelden een koning aan uit deze kohaniem (priesters). Zo kwam het koningschap voor meer dan 200 jaar terug bij het joodse volk, tot de verwoesting van de tweede Tempel“.

Einde citaat.

De koningsscepter hoort bij de stam Jehoeda

Maimonides maakt de Chasjmona’iem geen verwijt over het feit, dat zij het koningschap van de stam Jehoeda toegeëigend hadden. Dat Jehoeda het koningschap moet hebben, staat aangegeven in de pasoek (vers) uit Genesis 49:10:

“De scepter zal van Jehoeda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Sjilo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen“. 

Sjilo is de Masjieach. Tot en met de tijd van de Masjieach zal het koningschap bij afstammelingen van de stam Jehoeda blijven. Tijdelijke uitzonderingen op deze regel zijn bekend maar de hoofdlijn moet zijn, dat Jehoeda’s afstammelingen de koningen zijn.

Zo heeft Ja’akov bepaald in zijn afscheidsberachot (zegeningen op zijn sterfbed) aan zijn kinderen. Nachmanides (13e eeuw) maakt de Chasjmona’iem (Makkabiem) wel verwijten, dat zij de troon overgenomen hebben.

Scheuring van het joodse rijk

“Volgens mijn mening hebben de koningen, die na David uit andere stammen regeerden, de woorden van hun vader Ja’akov overtreden en de ‘erfenis verplaatst’. Deze koningen uit andere stammen hebben zich verlaten op de profeet Achia Hasjiloni, die Jeroveam uit de stam Efraïm gezalfd heeft. De voorgeschiedenis van de splitsing van de eerste joodse staat in twee rijken, Jehoeda en het Noorderrijk Israël, staat in Koningen (I: 11: 11): Daarom zei Hasjeem (G’d) tegen Sjelomo: Omdat het bij u gebeurd is dat u Mijn verbond en verordeningen, die Ik u geboden heb, niet in acht hebt genomen, zal Ik het koninkrijk zeker van u losscheuren en het aan uw dienaar geven. In uw dagen zal ik dat echter niet doen, omwille van uw vader David. Ik zal het uit de hand van uw zoon losscheuren. Alleen, Ik zal niet het hele koninkrijk van u losscheuren: één stam zal Ik aan uw zoon geven, omwille van Mijn dienaar David en omwille van Jeruzalem, dat Ik verkozen heb“.

Kleed in 12 stukken gescheurd

Symbolisch scheurde de profeet Achia zijn kleren (Koningen I: 11: 39):

“Toen pakte Achia het nieuwe kleed dat hij aanhad, en scheurde het in twaalf stukken. Hij zei tegen Jeroveam: Neem er tien stukken van voor uzelf. Want zo zegt Hasjeem, de G’d van Israël: Zie, Ik ga het koninkrijk uit de hand van Sjelomo (Salomo) losscheuren en Ik zal u tien stammen geven”.

Straf voor overtreding

Nachmanides vervolgt:

“Omdat men langdurig bij koningen uit andere stammen is gebleven en niet is teruggekeerd naar de afstammelingen van David, werden de Chasjmona’iem gestraft, zoals bij Hosea staat (8:4): “Zij deden koningen heersen maar niet van Mij”. Dit was de straf voor de Chasjmona’iem, die tijdens de periode van de tweede Tempel regeerden. Zij waren zeer heilige mensen. Zonder hen waren Tora en mitswot uit het joodse volk in de vergetelheid geraakt. De vier zonen van de oude Chasjmona’i (Mattijahoe) die na elkaar regeerden, vielen, ondanks hun kracht en succes, door het zwaard van hun vijanden. Hun straf was uiteindelijk dat er niemand van de Chasjmona’iem overbleef zoals de Talmoed (B.T. Bava Batra 3b) zegt: “Iedereen, die stelt, dat hij van de Chasjmona’iem afstamt, is een slaaf”. Er bleef niemand over van de Chasjmona’ische dynastie“.

De drie vragen van Rabbi Tsadok hakoheen uit Lublin

Rabbi Tsadok hakoheen van Lublin gaat in zijn werk Pri Tsadiek in op bovenstaande meningsverschil. Hij stelt hierbij drie vragen:

  1. Wat betekent de uitdrukking “De zonen van Chasjmona’i, de Hogepriester, werden steeds sterker” uit de Talmoed?
  2. Dit koningschap van de Chasjmona’iem werd door het hele volk aan hen aangeboden. Iedereen was het erover eens. Dit koningschap werd door iedereen gedragen. Hoe kunnen de Joden uit die tijd het verbod om andere stammen te laten regeren zo massaal hebben overtreden?
  3. Waarom was de straf op deze overtreding zo hard, dat alle afstammelingen van de Chasjmona’iem, ook in de vrouwelijke lijn, uitgestorven zijn?

De pri Tsadiek stelt, dat overwinning bij malchoet (koningschap) hoort. Daarom heette Mosje ook ‘koning’ toen hij Farao overwon. Ook Rabbijnen en Geleerden heten ‘koningen’.

Alles verloren toen zij het Jodendom opgaven

De stam Levie, waaruit de kohaniem (priesters) stamden, had ook een band met de stam Jehoeda (Ex. 6:23):

“Aharon (de eerste Hogepriester) trouwde met Elisjewa, de dochter van Aminadav, de zuster van Nachsjon en baarde hem Nadav, Avihoe, Elazar en Itamar“.

Elisjewa stamde uit Jehoeda. Alle afstammelingen van Aharon waren dus van moederlijke kant uit de stam Jehoeda. Hun overwinning op de Grieken en de Hellenisten kwam voort uit het feit, dat zij vrome Rabbijnen waren en afstamden van Jehoeda via de vrouwelijke lijn.

Pas in de tijd van de Chasjmona’ische koning Jannai vielen de Chasjmona’iem van hun geloof af toen zij de Mondelinge Leer (Misjna en Talmoed) verzaakten. Hierdoor verloren zij hun status van “Rabbijnen als koningen”. De Chasjmona’iem verloren alles toen zij hun zuivere Jodendom opgaven.

De eerste generaties waren niet werkelijk in overtreding

Rabbi Tsadok hakoheen van Lublin legt uit, dat de eerste generaties Chasjmona’iem als tijdelijke koningen niet echt in overtreding waren.

Alleen de latere Chasjmona’iem raakten de weg kwijt en waren in overtreding.

Daarmee verklaart hij de uitdrukking “De zonen van Chasjmona’i, de Hogepriester, werden steeds sterker”. Pas na lange tijd heersen vanuit de stam Levie ging het mis.

Toen het volk het koningschap aanbood aan de zonen van Chasjmona’i, de Hogepriester, waren ze niet in overtreding vanwege het tijdelijke karakter van het koningschap.

De straf was zo zwaar omdat ze uiteindelijk het traditionele joodse erfgoed totaal verlaten hebben.

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.