Joods! Tora leren en leven.

Gebrek aan G’dvrezendheid is de potentiële bron van al het kwaad

Parsja Toledot  (Bereesjiet/Genesis 25:19-28:10)

“Jitschak woonde in Gerar. Toen de mannen van de plaats naar zijn vrouw vroegen zei hij: “ze is mijn zuster” want hij was bang te zeggen “mijn vrouw” opdat de mannen van de plaats hem niet wegens Riwka zouden doden, want ze was schoon van gelaat” (Bereesjiet 26:6 e.v.)

Uiteraard werd hun huwelijkse relatie ontdekt door Awimelech toen hij zag dat Jitschak met Riwka `grapjes maakte’, een eufemisme voor samenleving. Jitschak was bang gedood te worden, net zoals zijn vader Awraham hiervoor vreesde toen hij bij Farao in Egypte en later eveneens in het land van de Filistijnen verbleef.

Hoog ontwikkelde beschaving

De Filistijnen konden in die tijd bogen op een hoog ontwikkelde beschaving. Zij kenden een juridisch systeem met een uitgebalanceerde wetgeving. Maar is een rechtsstaat zonder innige G’dsdienstigheid voldoende waarborg tegen oprispingen van vreemdelingenhaat, uitspattingen van de meest lage driften en misdaden tegen de menselijkheid?

Het Jodendom gaat ervan uit dat dit niet het geval is. Is de overheersing van de rede voldoende waarborg tegen barbarij? Uit Tora en Talmoed blijkt, dat zelfs een stevige rechtstaat alleen te weinig bescherming biedt.

Dictaat van het menselijke verstand

De cultuur van Awimelech was gebaseerd op het dictaat van het menselijk denken, redelijkheid en billijkheid. Oppervlakkig bezien was er geen vuiltje aan de lucht bij de Filistijnen. Hun rechtssysteem zat goed in elkaar, de openbare orde werd behoorlijk gehandhaafd.

Gelijk zijn vader Awraham miste Jitschak bij de Filistijnen echter G’dvrezendheid. Zodra dit gevoel van “G’d kijkt mee over mijn schouder” ontbreekt, kan er van alles gebeuren, hoe goed het maatschappelijk leven ook geregeld is en hoe eerlijk er ook bestuurd wordt.

Er was angst voor politie en openbare gezagsdragers. Men had ontzag voor de sterke arm maar dit was Jitschak te weinig. Hij vreesde in het geheim gedood te worden zodat niemand bezwaar zou maken tegen het schaken van zijn vrouw. Zelfs in een rechtstaat als die van de Filistijnen bestond geen zekerheid van lijf en leven.

De prachtigste filosofieën geen garantie voor rechtvaardigheid

Wij hebben de grote rampen van de twintigste eeuw meegemaakt. De ontmaskering van de westerse beschaving tijdens de tweede wereldoorlog werd voortgezet onder het Stalinisme. De prachtigste filosofieën en de rechtvaardigste wetten staan niet garant voor een rechtvaardige maatschappij.

Zodra de passie oplaait en de lust toeslaat, is niets meer veilig. Daarom vormt alleen een morele opvoeding in een religieuze omgeving een zekere basis voor een veilige maatschappij.

Het Jodendom gaat ervan uit dat wanneer G’dvrezendheid niet vooraf gaat aan wijsheid, zelfs de wijsheid niet blijft bestaan.

We beseffen het tegenwoordig helaas niet meer zo maar de Tora-psychologie gaat er van uit, dat ook wanneer men intermenselijke Tora-voorschriften overtreedt, men in feite eerst het bestaan van G’d moet loochenen. We begaan pas awerot (overtredingen) wanneer wij G’d hebben ontkend.

Gebrek aan G’dvrezendheid bron van al het kwaad

Een rasja vertalen we in het Nederlands met “een slechterik” maar in feite is dit een onjuiste vertaling: “de rasja stelt in zijn hart dat er geen G’d bestaat”. Gebrek aan G’dvrezendheid is de potentiële bron van al het kwaad. Iemand die oprecht religieus is, zal niet kunnen zondigen.

Maar zodra deze basis ontbreekt, kan niemand garanderen, dat hij voor welke zonde dan ook zal terugdeinzen. Waar is de innerlijke rem, die hem/haar een halt toeroept? Civilisatie zonder geloof houdt geen stand. Beschaving verwordt snel tot een uiterlijk vernis waar makkelijk doorheen geprikt kan worden, redeneerde Jitschak.

Door het vernisje beschadiging heengeprikt

Awimelech gaat uiteindelijk stevig tekeer: “Wat heb je ons daar aangedaan. Bijna had één uit het volk uw vrouw bijgewoond en dan had u schuld over ons gebracht”. Zijn verontwaardiging kende geen grens omdat er door het vernisje beschadiging was heen geprikt.

Toch gedraagt Awimelech zich beter dan Farao. Hij liet Jitschak en Riwka in zijn land wonen en hij verordonneerde, dat ‘iedereen die deze man of vrouw aanraakt, gedood zal worden’.

Jaloezie: bron van antisemitisme

Jitschak was erg voorspoedig in het land van de Filistijnen en hij oogstte veel succes. G’d liet hem zeer rijk worden. Toch had dat negatieve bijwerkingen. Want Awimelech zei tegen Jitschak: “Ga weg van ons want u bent ons te machtig geworden” (26:16).

Ook jaloezie was de Filistijnen niet vreemd. Een bekende bron van anti-semitisme.

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.