Opvallend hoe vaak Joseef de naam van HaSjeem (G’d) vermeldt
‘En zijn heer zag dat G’d met hem was en alles wat hij deed liet G’d slagen in zijn hand’ (39:3).
Rasjie legt uit dat ‘G’d met hem was’ betekent dat de naam van G’d in zijn mond lag. Hoe weet Rasjie dit? Waarom kunnen we niet eenvoudig verklaren dat Joseef voorspoedig was in alles wat hij ondernam, en dat dat gezien werd als een bewijs dat G’d met hem was?
Dit is echter niet plausibel. Want hoe leggen we de woorden ‘en zijn meester zag dat G’d met hem was’ uit? Succes alleen is geen indicatie dat G’d met ons is. Geloofde Potifar, Joseefs baas, inderdaad in G’d? Hoogstwaarschijnlijk niet.
Het enige mogelijke antwoord is dat Joseef de reden van zijn succes steeds duidelijk uitsprak. Overal en altijd zei hij ‘Baroech HaSjeem’ (geprezen is G’d). Hij liep nooit op te scheppen over zijn eigen verdiensten maar bedankte G’d voor alle goede zaken. Het is opvallend hoe vaak Joseef – wanneer hij aan het woord is – de naam G’d vermeldt.
Bijna altijd.
