Wajeshev 5784 – Vuur
Joel Erwteman
Het is deze week Chanoeka. Het was de eerste avond een wat onwerkelijke ervaring om temidden van een actuele oorlog kaarsen aan te steken ter herinnering aan een oorlog die 2,200 jaar geleden plaatsvond.
Dat werd alleen maar versterkt door de wetenschap dat een groot aantal van onze dierbaren niet in staat was om aan deze mitswa deel te nemen omdat zij ver van huis in diezelfde oorlog aan het vechten waren. Zoals wel vaker in onze geschiedenis echode het heden het verleden. Toch was het goed om ook hiermee gewoon door te gaan.
In על הניסים danken we Gd dat Hij de rechtvaardigen de kracht gaf om het kwaad te overwinnen. Nog nooit voelde die dankzegging zo als een gebed: laat ook in onze dagen het kwaad overwonnen worden.
Er iets merkwaardigs aan de hand met het feest Chanoeka. Hoewel het vermoedelijk het breedst gevierde Joodse feest is, is het eigenlijk niet heel duidelijk wat er gevierd wordt.
Omdat het feest verband houdt met gebeurtenissen die ruimschoots na het afsluiten van de TeNaCh liggen, wordt het daarin niet beschreven. De oudste beschrijving van Chanoeka vinden we in het boek 1 Makkabeeën, dat niet lang na die gebeurtenissen door een anonieme Joodse schrijver in het Hebreeuws is opgesteld (we hebben tegenwoordig alleen nog maar de Griekse versie).
1 Makkabim beschrijft in hoofdstuk 4 het feest dat Jehoeda HaMakkabi instelde na het verslaan van zijn vijanden:
“Nu zeiden Juda en zijn broers: ‘Onze vijanden zijn verslagen: laten we dus optrekken om de tempel te zuiveren en wederom in te wijden.’ … Op dezelfde tijd en op dezelfde dag waarop de volken het altaar hadden ontwijd, werd het onder het zingen van lofliederen, begeleid met citers, lieren en cimbalen, weer ingewijd. … Acht dagen lang vierde [het volk] het feest van de altaarwijding [=Chanoekat HaMizbeach]… In overleg met zijn broers en geheel de volksvergadering van Israël bepaalden Judas, dat ze, zolang ze leefden, het feest van de altaarwijding jaarlijks acht dagen lang, te beginnen op de vijfentwintingste van de maand Kislew, in vreugde en blijdschap zouden vieren.” (1 Makkabim 4:36-59)
1 Makkabim geeft geen reden voor de duur van het feest, maar uit ander bronnen zien we dat deze samen lijkt te hangen met de duur van Soekot, dat niet gevierd kon worden. Chanoeka was een manier om dat in te halen.
Maar de reden om te vieren is volkomen duidelijk: het inwijden van de tempel was het sluitstuk van de militaire overwinning.
Dit is ook de manier waarop het eerdergenoemde על הניסים Chanoeka omschrijft.
Wat in deze bronnen niet genoemd wordt is wat iedereen op school leert als de achtergrond van Chanoeka: het kruikje met olie dat gevonden werd en dat op wonderlijke wijze 8 dagen brandde. De bron voor dit verhaal is een gemara in Massechet Shabbat (21b):
מַאי חֲנוּכָּה? דְּתָנוּ רַבָּנַן: בְּכ״ה בְּכִסְלֵיו יוֹמֵי דַחֲנוּכָּה תְּמָנְיָא אִינּוּן דְּלָא לְמִסְפַּד בְּהוֹן וּדְלָא לְהִתְעַנּוֹת בְּהוֹן. שֶׁכְּשֶׁנִּכְנְסוּ יְוָוֽנִים לַהֵיכָל טִמְּאוּ כׇּל הַשְּׁמָנִים שֶׁבַּהֵיכָל. וּכְשֶׁגָּבְרָה מַלְכוּת בֵּית חַשְׁמוֹנַאי וְנִצְּחוּם, בָּדְקוּ וְלֹא מָצְאוּ אֶלָּא פַּךְ אֶחָד שֶׁל שֶׁמֶן שֶׁהָיָה מוּנָּח בְּחוֹתָמוֹ שֶׁל כֹּהֵן גָּדוֹל, וְלֹא הָיָה בּוֹ אֶלָּא לְהַדְלִיק יוֹם אֶחָד. נַעֲשָׂה בּוֹ נֵס וְהִדְלִיקוּ מִמֶּנּוּ שְׁמוֹנָה יָמִים. לְשָׁנָה אַחֶרֶת קְבָעוּם וַעֲשָׂאוּם יָמִים טוֹבִים בְּהַלֵּל וְהוֹדָאָה
Wat is Chanoeka? … Op de vijfentwintigste Kislev zijn de acht dagen van Chanoeka … Wat is de reden? Toen de Grieken het Heiligdom binnengingen, verontreinigden zij alle oliën… toen de Chashmonaïm overwonnen … vonden ze slechts één kruik olie met het zegel van de Hogepriester. Er was voldoende olie om de kandelaar één dag aan te steken, maar er gebeurde een wonder en ze staken de kandelaar acht dagen lang aan.
De kern van het feest is hier een wonder en niet zozeer een militaire overwinning. Het lijken twee volkomen verschillende manieren te zijn om naar het feest te kijken. Toch zijn beide manieren van kijken legitiem. Het is, zoals wel vaker, een kwestie van perspectief.
De parasha van deze week, WaJeshew, gaat voor een belangrijk deel over onze voorvader Josef. Josef is de eerste persoon in Tora die een groot deel van zijn ontwikkeling doormaakt in een totaal vreemde omgeving.
Hij wordt, dankzij een uit de hand gelopen ruzie met zijn broers, naar Egypte verkocht als slaaf maar maakt daar, dankzij zijn talenten, pijlsnel carrière (zelfs tot twee keer toe – maar dat zien we volgende week).
Anders dan onze andere aartsvaders is hij afgesneden van zijn familie en achtergrond. Dat maakt hem, in zekere zin, tot het eerste voorbeeld van een Jood in galoet, of in ieder geval van een Jood die moet leren omgaan met zijn niet-Joodse omgeving. Zijn gedragingen kunnen dan ook als symbolisch worden gezien voor het de manier waarop wij in de wereld staan.
Een van de meest in het oog springende passages van deze parasha is wanneer de vrouw van Potifar, de heer van Josef, hem probeert te verleiden. Ondanks een aantal pogingen van haar is Josef standvastig gebleven. Maar als er op een dag een groot Egyptisch feest is en het huis verder leeg is, krijgt hij het moeilijk. De Midrash Rabbah beschrijft:
ויהי כהיום הזה ויבא הביתה לעשות מלאכתו ואין איש מאנשי הבית שם בבית … ר’ שמואל בר נחמן אמר: לעשות מלאכתו ודאי, אלא ואין איש, בדק את עצמו ולא מצא עצמו איש … ר’ הונא בשם רבי מתנא אמר: איקונין של אביו ראה, וצנן דמו
Hij [Josef] kwam op die dag thuis om zijn werk te doen, maar er was niemand van de huisgenoten in het huis … hij kwam daar inderdaad om “werk” te doen [toe te geven aan de vrouw van Potifar], hij onderzocht zichzelf en vond dat hij geen “man” was [niet in staat om weerstand te bieden] … maar hij zag [in een visioen] de beeltenis van zijn vader [voor zich] en bekoelde. [Midrash Rabbah 87:7 op Bereshiet 39:11]
Josef staat hier symbool voor de Jood die voortdurend wordt blootgesteld aan de verlokkingen van zijn omgeving. Die zich elke dag weer moet afvragen wat het goed is om te doen en die soms, net als de Makkabiem lang geleden en helaas ook in onze tijd, daadwerkelijk strijd moet leveren met een omgeving die niets liever wil dan hem omlaag te trekken.
En net als Josef is het iedereen soms te moede – vraagt iedereen zich wel eens af of de strijd de moeite waard is. Dat is het moment waarop we de beeltenis van hen die ons voor gingen, onze traditie en onze afkomst voor ogen moeten houden.
Mevrouw Potifar kan ons vals beschuldigen, maar uiteindelijk komt de waarheid bovendrijven.
Dit lijkt ook het idee van de twee manieren om het wonder van Chanoeka te beschrijven. Natuurlijk was de daverende overwinning van de Makkabiem een reden voor een feest. Maar het was goed mogelijk geweest om die overwinning louter te relateren aan allerlei puur militaire redenen.
Dan had het voor onze generatie geen betekenis gehad – het was een kwestie van geschiedenis geweest.
In plaats daarvan wilden onze Geleerden duidelijk maken dat de betekenis van de overwinning van Chanoeka een vuur liet ontbranden dat veel langer duurde en veel grotere invloed had. Een vuur dat veel langer bleef branden en dat in zekere zin nog brandt in onze tijd. De Makkbiem hielden het beeld van hun traditie voor ogen. Dat was wat hen kracht gaf.
In de haftara van deze week beschrijft de profeet Zecharja hoe het Joodse volk uiteindelijk overleeft: לא בחיל ולא בכח כי אם ברוחי אמר ה צבאות – Niet [alleen] door macht en niet [alleen] door kracht maar door Mijn Geest, zo zegt Gd.
Wij kunnen niets anders doen dan onze dappere kinderen, familieleden en vrienden eindeloos dankbaar zijn voor het belangrijke en gevaarlijke werk dat ze voor ons allemaal doen. Maar het is aan ons allemaal om het vuur te laten branden.
