Parsja Vajisjlach (Bereesjiet/Genesis 32:4 – 36:43)
We hebben vorige weken helaas weer veel meegemaakt. Wij hebben Tehilliem (Psalmen) gezegd en gedavvend (gebeden), we hebben giften gedaan aan tesedaka (liefdadigheid voor goede doelen in Israël) en we hebben ons voorbereid op oorlog. We waren uiterst huiverig om te doden of gedood te worden.
Gelijk Ja’akov bij zijn ontmoeting met Esau
Juist deze week lezen hoe Ja’akov zijn oorlog met Esau voerde. Nadat Ja’akov de beracha (zegen) had gekregen van vader Jitschak was hij gevlucht naar oom Lavan. Nu keerde Ja’akov met vier vrouwen en veel kinderen terug naar Israël. Hij vreesde Esau, die met 400 soldaten onderweg was.
Drie voorbereidingen
Ja’akov bereidde zich op de ontmoeting met Esau op drie manieren voor (zoals Am Jisraeel dit ook deed de laatste weken): hij davvende (bad) intens, stuurde geschenken en was ook met wapens voorbereid op een aanval.
G’ds beloften afhankelijk van gedrag en bescheidenheid
Maar Ja’akov ging verder. Hij realiseerde zich dat de belofte van G’d om hem te helpen afhankelijk was van zijn gedrag en bescheidenheid. Ja’akov besefte ook dat hij al de weldaden die G’d hem bewezen had, niet door zijn grote verdiensten kwamen. Ja’akov was dankbaar en bescheiden. Tegen G’d zei hij: “In mijn eentje ben ik de Jordaan overgetrokken maar nu ben ik uitgegroeid tot een geweldig kamp”. Tegenover zijn broer Esau stelde hij zich onderdanig op in de hoop zo zijn woede enigszins tot bedaren te brengen.
Bescheiden en nederig
Ja’akov bereidde ook zijn mannen eerst psychisch voor op de confrontatie. Hij leerde ze allereerst heel bescheiden en nederig te zijn. Zij moesten Esau aanspreken met de titel meester en heer.
Geestelijke kracht uitstralen
Toch straalde Ja’akov ook spirituele kracht uit. De gezanten van Ja’akov moesten Esau ook de boodschap meegeven: “Ik heb bij Lavan gewoond en ik was spiritueel toch sterker dan hij” (Rasji’s uitleg van 32:5).
Berachot gestolen?
Ja’akov wilde ook ingaan op de `gestolen’ berachot (zegeningen). Zijn gezanten moesten ook de volgende boodschap doorgeven aan Esau: ”Jij denkt dat ik beter ben geworden van de berachot waarvan jij meent dat ik ze van je gestolen heb. De `dauw van de Hemel en de vettigheid van de aarde’ (27:28) heb ik niet gekregen. Ik heb wel ossen en ezels, maar die zijn noch onderdeel van de dauw van de Hemel noch van de vetheid van de aarde. De berachot zijn dus nooit uitgekomen. Je hebt geen enkele reden om mij te haten!” (Rasji op 32:6).
Ja’akov’s spirituele manpower
Ja’akov wilde eigenlijk helemaal niet over dieren alleen spreken. Het ging om zijn spirituele manpower. Elk van zijn kinderen wordt vergeleken met een specifiek dier. Zo werd Joseef vergeleken met een os. Jisachar wordt vergeleken met een ezel. Ja’akov vertelde Esau ook dat hij schapen had, waarmee hij het Joodse volk bedoelde, dat de Tora zou ontvangen.
Waarom was de spirituele reus Ja’akov bang voor Esau?
Ja’akov vreesde de grote verdiensten van Esau. Hij herinnerde hoe Esau zijn vader altijd had geëerd, toen Ja’akov weg was in de jesjiva (leerschool) van Sjeem en Ever. Bovendien was Ja’akov daarna nog twintig jaar weggeweest zonder zijn ouders gezelschap te houden. Esau had zich de hele tijd bekommerd om zijn ouders. Esau woonde de laatste twintig in het Heilige Land, terwijl Ja’akov in Aram woonde.
Voorspel voor de toekomst
Ja’akov realiseerde zich, dat alles wat met hem gebeurde, een voorspel was voor wat met zijn nakomelingen zou gebeuren. Ja’akov bad: “Als U mij nu redt, zal dat een teken zijn dat ook mijn nakomelingen gered zullen worden als zij verdrukt en vervolgd worden. Er staat in de Tora dat moeder- en kind-dier niet op één dag geslacht mogen worden. Maar deze Esau dreigt mijn familie helemaal uit te moorden, mannen, vrouwen en kinderen, alles op één dag”. Het liep gelukkig met een sisser af…
