Tisja Be’Av is de meest pijnlijke dag op de Joodse kalender. Op deze dag zitten wij op de grond en rouwen wij om de verwoesting van onze Tempels, om de ballingschap en om de gebroken geest van ons volk door alle generaties heen.
Maar het Jodendom staat de mens niet toe om in de duisternis te blijven. Reeds vanaf het einde van de vastendag beginnen wij ons opnieuw naar het licht te keren. Op Sjabbat Nachamoe horen wij de G’ddelijke stem:
„Troost, troost Mijn volk, zegt jullie G’d.”
En onze generatie heeft deze stem meer dan ooit nodig.
In een wereld waarin de haat tegen Israël en tegen het Joodse volk toeneemt, in een wereld waarin leugens als waarheid worden gepresenteerd en waarin het slachtoffer wordt afgeschilderd als de schuldige, mogen wij niet wanhopen. De vijand probeert onze geest te breken maar de geest van Israël is sterker dan iedere bedreiging.
De Maharal van Praag schrijft dat de verwoesting niet het einde van het verhaal is maar een fase in het proces dat naar de verlossing leidt. Zoals een zaadje eerst in de aarde moet worden begraven voordat het kan ontkiemen en groeien, zo moest ook Jeruzalem een periode van verwoesting doormaken, zodat het uiteindelijk met nog grotere luister kan herrijzen. Dit is niet slechts een troostgedachte; het is een G’ddelijke belofte die geschreven staat in de geschiedenis van het volk Israël.
Zo schrijft ook Rabbijn Jona van Gerona in zijn Sja’arei Tesjoeva dat de hoop op de barmhartigheid van HaSjeem een fundamenteel onderdeel is van de dienst van de mens aan G’d. Zelfs wanneer de situatie moeilijk lijkt en duisternis de wereld bedekt, mag Israël nooit wanhopen. Elk moment van geloof, elke daad van Tora en elke mitswa brengt de verlossing dichterbij en onthult dat de hand van HaSjeem nog altijd uitgestrekt is om Zijn volk te redden.
De Chafeets Chajiem zts”l voegt hieraan toe dat het feit dat het volk Israël na alle vervolgingen en ballingschappen nog steeds bestaat, een levend bewijs is van de G’ddelijke Voorzienigheid. Wij wachten niet alleen op de verlossing – iedere dag waarop het volk Israël doorgaat met leren, dawwenen (bidden) en het vervullen van mitswot (geboden), vormt op zichzelf al een bewijs dat de belofte van HaSjeem eeuwig blijft bestaan. Het licht van Israël wordt niet alleen bewaard door uiterlijke kracht maar vooral door de innerlijke geloofskracht die de heiligheid van generatie op generatie doorgeeft.
Sjabbat Nachamoe roept ons op om rechtop te staan. Om ons niet te schamen voor onze identiteit, om niet te zwichten voor ophitsing en om niet bang te zijn voor degenen die proberen de herinnering aan Israël uit te wissen.
Elke mitswa, elke bladzijde Gemara, elk gebed, elke daad van liefdadigheid en elke uiting van Ahavat Jisraël vormen een eeuwig antwoord aan allen die ons licht willen doven.
Van Tisja Be’Av leren wij om te herinneren.
Van Sjabbat Nachamoe leren wij om te geloven.
En uit beide samen leren wij om te bouwen.
Te bouwen aan onszelf, aan onze gezinnen, aan onze gemeenschappen en aan ons heilige land.
Dit is ons antwoord aan onze vijanden:
Niet zwakte maar geloof.
Niet wanhoop maar hoop.
Niet terugtrekken maar meer heiligheid toevoegen.
Dan zullen de woorden van de profeet werkelijkheid worden:
„Want oog in oog zullen zij zien wanneer HaSjeem terugkeert naar Tsion.”
Dan zullen de dagen van rouw veranderen in dagen van vreugde en blijdschap. En Sjabbat Nachamoe zal niet alleen een belofte zijn maar een werkelijkheid van volledige verlossing.
Moge dit spoedig in onze dagen gebeuren. Amen.
