“En Mosjé nam de beenderen van Joseef met zich mee, die een eed door de Bnee Jisra’eel (de kinderen Israëls) had laten maken, als volgt: “G-d zal jullie zeker gedenken; dan zullen jullie mijn beenderen van hier met jullie meevoeren.” (Sjemot/Ex. 13:19)
Het lijkt erop dat dit detail thuishoort in de parsja van vorige week – waarin de feitelijke uittocht uit Egypte wordt opgetekend. Dat was het moment waarop Mosjé Rabbenoe de doodskist van Joseef moet hebben meegenomen.
Waarom wordt het dan pas hier in parsjat Besjallach verteld?
Misschien gebeurt dit om ons te leren, dat het erg belangrijk was om de kist van Joseef hatsadiek mee te nemen uit Egypte; Mosje Rabbenoe wordt speciaal door Hakadosj Baroech Hoe geprezen voor deze nobele daad. Niettemin vindt de Tora het kennelijk belangrijker eerst alle details met betrekking tot de levende mensen af te ronden. Eerst wordt ons meegedeeld hoe het de Bnee Jisra’eel verging die de slavernij en marteling overleefden en nu uit Egypte kwamen.
Pas daarna deelt de Tora ons mee over de belangrijke mitswa om de beenderen van Joseef mee te nemen.
Chesed (goed) doen met een overledene en het vervullen van zijn/haar laatste wens is heel goed en nobel. Maar pas na het verlenen van zorg en hulp aan degenen die in nood zijn – en in leven…
Dat brengt mijn eerste reis naar achter het (vallende) “ijzeren gordijn” in 1989 weer in mijn herinnering;
Een groep Chasidim organiseerde een reis naar de stad Chortkov (waar Reb Dovid Moshe, de eerste Rebbe, en mijn overgrootvader begraven liggen). Ze hadden wat navraag gedaan en inmiddels was het makkelijker om toestemming te krijgen om relatief vrij te reizen binnen de USSR.
Ze wilden dat mijn vader, Rav Pinchas ZT”L de missie zou leiden. In zijn positie van “Rav van München” zou hij een speciaal welkom krijgen van het nieuwe regime.
Ik was er zeker van dat mijn vader zou instemmen – maar tot mijn verbazing zei hij dat hij niet op zo’n reis wil gaan als het “alleen maar” was om de graven van Tzadikiem (heilige mensen) te bezoeken.
Hij zei dat het plan erop gericht moest zijn om contact te leggen met de Joodse gemeenschappen in de steden die we zouden bezoeken, zodat hij hier een “Sjioer” (joodse les) kon geven, daar een “Droosje” (lezing of preek) – en wat warme interactie kon hebben met de Joden die zo lang verstoken waren van contact met de rest van de Joodse wereld. Pas dan voelde hij dat de reis de moeite waard was.
Inderdaad – het lukte ons om een zeer verheven Sjabbat in Kiev door te brengen met nieuwe families, die het Jodendom herontdekt hadden. In Moskou gaf mijn vader een Sjioer in “Marina Roscha”, dat destijds bestond uit een paar houten barakken maar tegenwoordig het grote, indrukwekkende, Joodse gemeenschapscentrum is!
En natuurlijk – we zorgden ook voor de “botten van Josef”. In onze ontmoeting met het ministerie van Religieuze Zaken, slaagden we erin om garanties te krijgen voor het behoud van de belangrijke plaatsen waar de Rebbes en andere Joodse mensen hun laatste rustplaats gevonden hadden.
Achteraf besefte ik hoe juist het inzicht van mijn vader zatsal was, om het belang van de zorg voor de levenden op de eerste plaats te zetten.
P.S.
Met de bovenstaande les vers in het geheugen, liep ik gisteravond laat door een donkere straat in Brooklyn, toen ik een arbeider uit New York zag die bezig was met het verwijderen van kleine stukjes glas en metalen brokstukken van wat een auto-ongeluk moet zijn geweest.
Hij zag er uitgeput uit toen hij zijn taak beëindigde. We waren alleen op straat en ik zei: “Besef je wel hoe belangrijk de klus is die je net geklaard hebt? Over een paar uur lopen hier zowel jonge kinderen als oudere mensen over dit trottoir en zonder jouw nauwgezette werk zou iemand gemakkelijk kunnen vallen en zichzelf verwonden. Nu is het veilig voor iedereen om de dag te beginnen op weg naar school, werk of Sjoel.
De werker glimlachte en zei heel hartelijk “dank je wel” voordat hij weer aan het werk ging.
Met dank aan Harav Biberfeld shlita, Rav of the Tchortkov Klois and United Synagogues in Stamford Hill London.
