DE GROOTSTE EUROPESE OORLOG EN VLUCHTELINGENSTROOM NA DE HOLOCAUST
Een morele oefening als aanloop naar Pesach
Ik tel vandaag de dertiende oorlogsdag. De oorlog lijkt helaas niet snel te eindigen en we worden hier in West-Europa met steeds meer vluchtelingen geconfronteerd. Oekraïense en Russische delegaties kwamen gisteren bijeen voor een derde gespreksronde om veilige corridors te openen voor burgers.
Met Poeriem konden de Joden nergens heen. Alle Joden zaten vast in het rijk van Achasjwerosj en Haman. Maar 3334 jaar geleden vertrokken we uit Egypte. Wij werden Egypte uitgejaagd door Farao en zijn dienaren. Jaarlijks herdenken wij ons vertrek door een aantal essentiële elementen van de historische gebeurtenis weer opnieuw aan den lijve te ondervinden.
Kennelijk is het belangrijk af en toe te herinneren dat wij allemaal een beetje vluchteling zijn.
De actuele vluchtelingenproblematiek in Europa leidde tot veel compassie maar er onstond ook angst. Alle landen in West-Europa stelden hun grenzen open en beloofden echte hulp, anders dan voor onze grootouders tijdens de Sjoa.
Heeft West-Europa eindelijk iets geleerd uit de geschiedenis en uit de Tora?
Hoe gaan wij als Joden hiermee om? Eén richtlijn staat als een paal boven water. De Tora is daar heel duidelijk over: “Een vreemdeling zult u niet onderdrukken, noch hem benauwen want u bent vreemdelingen geweest in het land Egypte” (Exodus 22:21).
- We mogen vluchtelingen niet benauwen.
- We mogen ze niet aan hun eigen lot overlaten.
- We moeten ze helpen en opvangen.
Maar de Tora is ook heel gevoelig voor het psychische welzijn van de vluchteling. In de Talmoed wordt ‘onderdrukken’ ook uitgelegd als ‘krenken met woorden’. Krenken, beledigen en wegzetten als verkapte criminelen is uit den boze.
Wij mogen vluchtelingen niet beledigen. En dat gebeurt helaas met de regelmaat van de klok. Onbekend maakt onbemind. De vluchtelingencrisis is een moment van humane waarheid in de Europese geschiedenis. Het is een enorme morele uitdaging.
Uiteindelijk gaat het om onze compassie en opofferingsgezindheid. Het relatief kleine Israël heeft de afgelopen jaren meer dan een miljoen vluchtelingen opgenomen. De economie groeit daar nog steeds.
Maar mogen we vluchtelingen onderzoeken op hun terroristische of andere vervelende bedoelingen?
Ja zeker! Zodra de eerste nood van de vluchtelingen opgelost is, heeft ieder mens, iedere groep of ieder land het recht en de plicht voor zijn eigen veiligheid te waken.
Achtergrondenonderzoek is zeker niet verkeerd: “Als iemand je eten vraagt, geef hem dan direct eten. Misschien lijdt hij echt honger. Daarna mag (en moet je soms) zeker onderzoeken of we hier niet bedrogen worden” (Talmoed).
Morele eisen
Mogen we eisen stellen aan vluchtelingen? Jazeker, en ook morele. Toen de Joden vijf eeuwen voor de burgerlijke jaartelling in ballingschap weggevoerd werden naar Babylonië, kregen zij van de profeet Jeremia in naam van G’d een welgemeende opdracht mee: “Bevorder de welvaart van de stad van jullie ballingschap”. Dit betekent: predik geen opruiende taal tegen het gastland en werk mee aan de opbouw van je nieuwe omgeving (29:7).
Een evenredige verdeling van vluchtelingen over West-Europa volgt het Bijbelse principe van omslag van de armenzorg over alle draagkrachtige burgers. Nu West-Europa een eenheid vormt, is evenredige verdeling een morele plicht. De vluchtelingenproblematiek is uiteindelijk de vraag naar onze gastvrijheid en offervaardigheid.
PESACH INSPIREERT ONS TOT VERNIEUWING VAN ONZE JODENDOMSBELEVING OP ALLE NIVEAU’S
Ook Israël houdt zich niet afzijdig, vangt veel vluchtelingen op en probeert door bemiddeling tussen de strijdende partijen vrede te bevorderen. Overal doen vele (joodse) gemeenten hun best om voor vluchtelingen een betere toekomst te creëren.
Gastvrijheid en ‘iedereen te eten geven’ – kol dichfien jetee vejeechol – vormt de inleiding van de Hagada, de vertelling, op Seideravond. Elk jaar vieren we weer Pesach. Elk jaar tonen we te geloven in de eeuwigheidswaarde van de bevrijding uit onderdrukking, slavernij, assimilatie en antisemitisme.
Pesach viert niet alleen het verleden maar staat ook symbool voor de uiteindelijke verlossing van het joodse volk in Messiaanse tijden. Maar voor we die bereiken moet nog veel gebeuren. We moeten tonen deze glorieuze toekomst waard te zijn door alle mitswot (geboden) die verbonden zijn met dit wonderlijke feest onder de loupe te leggen en ons ter harte te nemen.
Pas dan zijn de joodse feestdagen en Pesach in het bijzonder een jaarlijkse gelegenheid ons weer eens spiritueel op te laden.
Vlak voor en vlak na het Pesachfeest kregen we twee bijzondere mitswot (geboden): tefilien, de gebedsriemen en de joodse kalender. Beide voorschriften bieden veel bevrijdende kracht en vernieuwende inspiratie. We moeten elk jaar weer leren ons open te stellen voor het goede en het constructieve in ons gezamenlijke en in ons prive-leven.
Één volk
De woorden “stuur Mijn volk weg opdat ze Mij dienen” worden vaak maar gedeeltelijk geciteerd. Het doel van onze vrijheid was het opbouwen van een religieuze band met Hasjeem (G’d). Na de Uittocht zouden we de Tora op de berg Sinai krijgen.
Fara’o was de eerste die het Joodse volk een volk noemde. Tot dan waren ze kinderen van Ja’akov of Bnee Jisra’eel. Fara’o was de eerste die zei: “Zie, het volk van de Bnee Jisra’eel is veel en sterker dan wij. Kom, laat ons slim zijn tegenover hen opdat zij niet vermeerderen” (Sjemot/Ex. 1:9,10).
Farao had een negatief volksconcept
Hoe vatte Fara’o het joodse volk op als volk? Hij begreep dat de Joden een gemeenschappelijk lot hadden. Maar hij bekeek het erg negatief. Hij had niet veel op met vreemdelingen en allochtonen. Het lot van het Joodse volk was om te lijden. Hun bezittingen werden te grabbel gegooid. Hun hoop leek ten gronde gericht. Hun leven was hun niet zeker: “Elke zoon die geboren zal worden, zullen jullie in de rivier gooien”.
Zo begreep Fara’o de gemeenschappelijke toekomst van het Joodse volk en dat was in zijn opvatting hun volkslot.
Pas bij Sinai ontstaat een positief volksgevoel
Mosje Rabbenoe (onze leraar) benadrukt echter dat wij pas bij de berg Sinai een volk werden. Niet bij de uittocht uit Egypte, noch bij het splijten van de Rietzee. Pas toen wij de Tora kregen, riep Mosje Rabbenoe uit: “Vandaag worden jullie tot een volk voor Hasjeem, uw G-d” (Devariem/Deut. 27:9).
Vlak voor we de Tora kregen riep het joodse volk “Na’ase wenisjma” – we zullen eerst doen wat HaSjeem zegt, ook al begrijpen we de strekking van de mitswot (geboden) en het joods-zijn pas later. Ook een klein beetje doen, kan ons weer terugbrengen naar onze roots, onze joodse oorsprong.
Ondanks de zware onderdrukking hielden we altijd iets vast van het Jodendom, hetgeen een latere ‘revival’ garandeerde.
Chameets en matsa: de russische immigratie toont hoe we terugkeren naar onze roots
Aan het begin van de grote immigratiegolf uit de Sovjet-Unie, was Rav Lau Opperrabbijn van Tel Aviv-Jaffo. Op een dag had Rav Lau zitting in een Beet dien (rechtbank) voor gioer (joods worden), om nieuwe immigranten te helpen met het bepalen van hun joodse identiteit.
Voor hen verscheen een 42-jarige arts, die de dag daarvoor met zijn vrouw en twee dochters was aangekomen uit de Sovjet-Unie. Hij wilde een bevestiging, dat hij Joods was voor de opvangcentra. Hij had twee getuigen meegenomen om te verklaren dat hij zowel van vaders- als van moederskant Joods was.
Zijn moeder was directrice van een ziekenhuisafdeling in Moskou. Zijn vader was chirurg, maar was allang overleden. Één van de getuigen, zei heel duidelijk dat hij aanwezig was geweest bij de briet mila van de jonge arts, die George heette.
De tweede getuige was een oude Chabadnik, die in het beet dien kwam met zijn pet op en een lange baard over zijn jas. Hij vertelde dat de moeder van George chronisch rookte (twee tot drie pakjes per dag). Elke nacht, voordat ze ging slapen, nam ze één sigaret en legde dat in een kartonnen doos in haar kleerkast. Elke nacht spaarde zij een sigaret.
Na Poeriem kwam de Chabadnik bij haar thuis. Zij hadden een bepaalde afspraak; zij gaf hem 350 sigaretten, die ze had gespaard, en hij gaf haar een paar kilo meel, zodat zij thuis matzes kon bakken. Ze hield geen Sjabbat noch kasjroet. Zij kon de essentiële geboden niet vervullen maar vond het zeer belangrijk om de uittocht uit Egypte met alle bijbehorende symboliek op seideravond te gedenken.
Rav Lau vertelde: “Ik was ontzettend onder de indruk van dit verhaal. De zoon gaf mij het telefoonnummer van zijn moeder in Moskou en ik belde haar op. Zij kon nog een beetje Jiddisj spreken en ik vertelde haar dat wij één keer per jaar de mitsva van matsa houden, maar dat zij dat elke dag deed. Ik zei dat ik niet weet of de matsot die ze bakte, halachisch kosjer waren, maar wel dat ze zeker heilig en rein waren en dat G-d ze met welgevallen heeft aanvaard. Ik twijfelde daar geen seconde aan.
Ik liet haar meeluisteren aan de telefoon, toen ik met haar zoon verder sprak in het Engels. Ik zei tegen hem: “George, vanaf vandaag ben jij geen George meer, maar heet je Gersjon.” Zijn moeder pinkte aan de andere kant van de lijn een traan weg. Ze vertelde dat Gersjon precies de naam was, die zijn inmiddels overleden vader hem 42 jaar geleden gegeven had bij de briet mila”.
Moraal van dit verhaal: vaak zien we dat een kleine ‘reminder’ of ‘hint’ -zoals hier de 350 sigaretten en de zak meel – voor de volgende generatie genoeg zijn om de jiddisje draad weer op te pakken en verder te groeien in Jiddisjkeit (Jodendom).
De bron van ons vernieuwingstalent
Na de Uittocht uit Egypte kregen we verschillende mitswot (geboden) van G’d om ons te herinneren aan de Exodus. We kregen de mitswa van tefilien (de gebedsriemen): “Daarom zij het tot teken op je hand en een herinneringsband tussen je ogen, dat G’d ons met sterke hand uit Egypte heeft gevoerd” (Sjemot/Ex. 13: 16).
Rasjie (11e eeuw) legt ter plekke uit, dat wanneer de mensen de tefilien (gebedsriemen) zien, zij de Exodus zullen herinneren en er over spreken.
Maar waar vinden we dat tefilien onze morele kracht zijn?
Omdat er geschreven staat (Dewariem/Deut. 28:10): „En de volken van de aarde zullen zien dat G’ds naam op u genoemd wordt en ze zullen bang zijn voor u.’ Rabbi Eliezer zei: „Dit slaat op de tefilien van het hoofd.’
Vier Torateksten worden op kleine perkamenten rolletjes geschreven, opgerold, vastgezet met kalfshaar en in de zwarte huisjes van de Tefilien geschoven. Dit haar steekt uit de Tefilien. Het heeft een diepe symboliek.
Het kwade in de wereld
In zijn boekje over Tefilien vraagt Rabbijn Aryeh Kaplan: waarom is er kwaad in de wereld? Oorlog leidt altijd tot de vraag van goed en kwaad. Waarom is er zoveel agressie? Zonder kwaad heeft de vrije wil geen betekenis. Willen wij zoveel mogelijk op G’d lijken, dan moeten wij zoveel mogelijk vrije wil hebben. Daarom is het kwaad geschapen. Zonder keus tussen goed en kwaad zouden wij slechts robotten zijn. Wijsheid is alleen maar goed omdat er ook domheid bestaat. Licht wordt alleen gewaardeerd als er ook duisternis is. Onze hele wereld bestaat uit tegenstellingen (Prediker 7:14).
Het kwaad is dus noodzakelijk op deze wereld. G’d gaf kwaad zo min mogelijk macht. Het hangt aan een draadje. Maar de mens kan het kwaad cultiveren. Dan groeit het. Dit is de symboliek van het haar in G’ds Tefilien.
Haar in de Tefilien
Haar is dood: je kunt het ongemerkt afknippen. Toch komt het uit iets levends voort. Het is de dood die voorkomt uit het leven. Hetzelfde geldt voor het kwade. Hoewel het zelf dood is, komt het uiteindelijk van de Bron van al het leven.
Het aardse bestaan eist kwaad. Het haar zit midden in de hoofd-Tefilien. Maar het is slechts een miniscuul haartje. Kwaad krijgt zo min mogelijk toegang. Het is het minimum, minimaal om de vrije wil te waarborgen. Toch is het o zo sterk. Dit haartje verbindt al het kwade met het heilige.
Het vormt het kanaal waarlangs al het kwade weer teruggebracht kan worden tot het goede, kan worden gesublimeerd en gelost. Hoe kwaad men ook doet, G’d staat altijd klaar om de zondaar te ontvangen, wanneer hij tot inkeer komt. Want G’d haat het kwaad maar niet degene die kwaad doet: van hem hoopt G’d op inkeer.
Wanneer we in de Toekomstige Wereld komen, moeten we allereerst G’d recht in de ogen kijken. De meeste mensen ervaren een diepe schaamte. Ze hebben tegen G’d gerebelleerd.
Korte vuren van Gehinom
Deze brandende schaamtegevoelens zijn de vuren van Gehinom. Iemand die niet volledig verdorven is, ervaart dat Gehinom slechts voor korte periode. Dan wordt hij bevrijd. Het haartje in de Tefilien dient als verbinding van het kwade met het heilige, zodat de mens die Tefilien draagt, kan worden bevrijd.
Zonder Tefilien kan de zondaar niet volledig terugkeren naar het heilige. Tefilien zijn stukjes tekst uit de Tora. Het is het levenslijntje dat het contact met het hogere altijd onderhoudt. Steeds is er een weg terug. Zolang we deze levenslijn vasthouden is er altijd hoop.
Revival
Dit is ook de boodschap van Pesach: er is altijd een weg terug, ook na een hevige oorlog. Zolang we maar serieus zijn en ons leven de moeite waard achten.
Nihilisme is de doodsteek voor een serieuze Jodendombeleving. De tefilien zijn het dagelijkse bewijs, dat wij geloven in de eeuwigheid van verbondenheid met G’d, met het goede in de wereld, het Jodendom en het joodse volk. We hebben veel oorlogen en vervolgingen meegemaakt. Toch zijn we alle ellende te boven gekomen en zijn we positieve mensen gebleven.
Het geheim van onze groeikracht ligt ook verborgen aangeduid in de tefilien. Daarom leggen serieuze mensen eerst de tefilien op de arm en pas daarna op het hoofd. Maakt dat echt wat uit? Jazeker! Hier ligt het mysterie van de ‘revival’ in elke periode van rampspoed, waarin het er op leek dat de vlam van het Jodendom gedoofd was.
Op de arm en op het hoofd: essentieel verschil
We leggen twee tefilien aan: de arm-tefilien en de hoofd-tefilien, eerst op de arm en daarna op het hoofd. Volgens de joodse traditie ligt hier een essentieel verschil. Er bestaat zelfs een traditie dat G’d in de toekomst tussen serieuze mensen en mensen ‘die er met de pet naar gooien’ zal onderscheiden. De oprechte mensen zullen eerst de arm-tefilien aanleggen en de charlatans leggen eerst de hoofd-tefilien aan.
Dit verschil bevat een diepe, essentiële achtergrond. Zo is – terzijde – ook het joodse voorschrift: we leggen eerst arm-tefilien aan en pas daarna de hoofd-tefilien. Bij het uitdoen, doe we eerst de hoofd-tefilien af en pas daarna de arm-tefilien. De hoofdregel luidt: de arm-tefilien moeten voorafgaan aan de hoofd-tefilien en moeten zolang wij de hoofd-tefilien dragen op onze arm liggen. Wat is de symboliek hiervan?
Wij zijn niet uit op missie
Gedurende de regeringstijd van koning David en koning Salomo nam men geen mensen aan die wilden converteren tot het Joden als proselieten omdat men in de Gouden Eeuw van het Jodendom bang was voor ‘converteren uit verkeerde motieven’. Toch zouden mensen ‘binnenglippen’.
In Messiaanse tijden zullen vele mensen zich toch willen bekeren tot het Jodendom, aldus de profeet Zecharja (8: 23): “Zo zegt HaSjeem (G’d) van de heerscharen: In die dagen zal het gebeuren dat tien mannen uit alle talen van de heidenvolken, de punt van de mantel van een Joodse man zullen vastgrijpen, en zeggen: Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord dat HaSjeem met u is”. Wij zijn niet uit op bekering.
Maar als mensen echt serieus willen overgaan tot het Jodendom zijn ze van harte welkom. G’d stelt de mens op de proef. En een van die beproevingen zal zijn of men eerst de arm-tefilien legt en pas daarna de hoofd-tefilien of omgekeerd, aldus de Midrasj (achtergrondverklaring). Wat steekt hierachter?
Het mysterie van het eeuwige jodendom
Het geheim van het Jodendom ligt in de attitude van het joodse volk bij de Tora-geving, de essentie van de Exodus, Uittocht uit Egypte. HaSjeem ging met de Tora rond bij alle volkeren met de vraag of men deze wilde accepteren. Alle andere volkeren vroegen: “Wat staat er in die Tora”. Toen ze de inhoud hoorden, waren ze niet bereid de Tora aan te nemen.
Het feit, dat men aan G’ds goedheid durfde te twijfelen was op zich al een chotspe (brutaliteit). Het joodse volk was bereid de Tora onvoorwaardelijk te accepteren omdat men een rotsvast vertrouwen in het Opperwezen had. Wij waren bereid de geboden van HaSjeem onvoorwaardelijk op te volgen. Dit uitte zich in de uitspraak ‘Na’ase wenisjma’- ‘wij doen eerst en dan zullen we begrijpen’: “Mosjé nam toen het Boek van het Verbond en las het voor ten gehore van het volk. Zij zeiden: ‘Alles wat G’d gezegd heeft, zullen wij doen en we zullen horen.’ (Sjemot/Ex. 24:6-7).
Hand-tefilien symboliseren ‘eerst doen’
De gebedsriemen leggen we op de arm en de hand omdat dit erop duidt dat we onze daadkracht aan HaSjeem onderwerpen en wijden. Maar bovendien geeft dit aan, dat wij eerst doen wat G’d ons zegt en pas daarna Zijn geboden – uiteraard slechts gedeeltelijk – zullen begrijpen.
Dit moet onze basale benadering zijn. Als we moeten wachten met het uitvoeren van Zijn geboden tot we alles begrijpen, kunnen we een heel leven studeren en nog nooit iets uit de Tora gedaan hebben. Door puur te doen wat G’d ons zegt, verbinden we ons met de essentie van G’d en dit is de snelste weg tot HaSjeem.
De Midrasj verklaart, dat de niet serieuze mensen eerst de hoofd-Tefilien aanleggen. Dat duidt op de filosofische benadering van G’d en Zijn geboden. We moeten eerst bekijken of we het begrijpen en het ons bevalt, voordat we gehoorzamen. Dat is een goede houding als het aardse zaken betreft maar zeker een verkeerde attitude in onze relatie tot het Opperwezen.
Hier ligt de kracht van het Jodendom: een totale bereidheid G’d overal te volgen, zelfs vanuit de hoogstaande cultuur van de Egyptenaren naar een dorre woestijn waar niets groeide. Dit was de essentie van de Exodus, de bereidheid de reis naar de berg Sinai en de Tora zonder veel vragen en klagen te volgen.
‘We zullen doen en we zullen horen’
Maar is deze vorm van blinde acceptatie voor een modern denkend mens wel acceptabel? Voelt het niet irrationeel aan!? Rabbi Nathan Weisz (21e eeuw, Jerusalem) stelt het onomwonden:
“Om de Tora op de goede manier te kunnen beleven, moet je begrijpen dat het onvoorwaardelijk volgen van HaSjeem niet alleen gewenst is, maar ook noodzakelijk. De echte betekenis van ‘na’ase wenisjma’ is dat het naleven van de Tora, de kern van het leven is. Wij zijn niet gecreëerd om alleen maar te eten, drinken en overleven en als toevallige bijkomstigheid ook af en toe volgens de Tora te leven. Overleven moet de bijkomstigheid zijn van onze productiviteit op geestelijk gebied. De Tora hoort niet ingepast te worden in het leven – het leven dient aangepast te worden aan het naleven van de Tora. Dit is de hoofdgedachte – de rest is onze opdracht”.
De Tora geeft hoop, kracht, toekomstverwachting en spirituele groei. Na iedere humanitaire ramp moet dit uitkomst bieden.
Tweede krachtbron voor vernieuwing: de joodse kalender
Een tweede vernieuwende krachtbron van energie vinden we in onze maankalender, die ook een typisch symbool van doorlopende vernieuwing is, waarin ook de natuur een hoofdrol speelt en ons erop wijst hoe wij ons tot G’d kunnen verhouden. Ook deze mitswa (gebod) ontvingen wij bij de Uittocht uit Egypte. Het gaf ons identiteit en inspiratie na 210 jaar onderdrukking in Egypte.
De maankalender met zijn aangroeiende en afnemende maan toont, dat het leven uit ups en downs bestaat. Crisis en opbouw, masjbeer en tikoen zijn nu eenmaal twee kanten van de continue levensmedaille. Een opsteker in tijd van nood en depressie.
Waarom tellen wij onze kalender naar de maan en niet naar de zon?
De eerste echte mitsva – Tora-opdracht – voor het Joodse volk werd nog in Egypte gegeven. In het tweede boek van de Tora – Sjemot/Exodus – wordt het begin van de Joodse kalender voorgeschreven: “En G’d sprak tot Mosje en Aharon in het land Egypte, als volgt: “Deze maand wordt voor u het begin van de maanden, het is de eerste van de maanden van het jaar voor jullie” (12:1 -2). Dit was de lentemaand, die wij nu Nisan noemen.
Eerste maansikkel van de nieuw maan
De nieuwe maansdag wordt Rosj chodesj, begin van de maand of hoofd van de maand genoemd, de eerste dag van iedere maand. Het begin van een joodse maand in de Hebreeuwse kalender is in de natuur herkenbaar aan het verschijnen van de eerste maansikkel van de nieuw maan.
Opvallend is overigens wel, dat er voor de vaststelling van de Sjabbat als zevende dag van de week geen duidelijke, aanwijsbare aanleiding bestaat in de natuur. De maan daarentegen vormt een duidelijke aanwijzing in de natuur voor vernieuwing, toename en afname gedurende een tijdseenheid, die wij tegenwoordig de maand noemen in de joodse kalender. In de zon bestaat zo een duidelijk wendingspunt niet.
De zonnemaanden zijn eigenlijk meer het gevolg van een intermenselijke afspraak dan dat zij aansluiten bij een natuurfenomeen, dat aangeeft wanneer een maand voorbij is en wanneer deze weer begint.
Het is de vraag waarom het Jodendom de maan volgt als grond van haar kalender en niet de zon zoals de rest van de wereld doet.
Een verdieping: waarom de maan te prefereren is boven de zon?
Bij de beantwoording van de vraag waarom wij onze kalender naar de maan tellen spelen veel factoren een rol:
- De ontwikkeling van een slavenvolk tot volk van het Boek na de bevrijding.
- De verhouding tussen zon en maan bij de schepping. Waarom moest de maan kleiner worden?
- De macht over het fenomeen tijd.
- Wat gebeurt er als wij een fout in de berekening maken en hoe dienen wij om te gaan met macht?
Waarom heeft G’d de joodse kalender als eerste mitswa gegeven?
Een simpel antwoord luidt dat wij eerst een kalender gekregen hebben omdat wij zonder kalender geen Pesach kunnen vieren. Zonder kalender weet niemand wanneer Pesach ieder jaar weer valt en wanneer wij matzes moeten eten op Sederavond.
Maar er bestaat ook een diepere achtergrond die direct in verband staat met de nieuwe status van het joodse volk na de Uittocht. De Joden waren 210 jaar lang de knechten en slaven van de Egyptenaren geweest. Zij waren onderworpen en hadden geen macht noch enige verantwoordelijkheid als zelfstandige vrije mensen.
Macht over de tijd
Nu kregen ze macht over een fenomeen waarop eigenlijk niemand enige invloed kan uitoefenen: het verloop van de tijd. Wat we ook proberen: een uur blijft zestig minuten en een minuut blijft zestig seconden. We kunnen de tijd niet veranderen, niet versnellen en niet vertragen.
Met deze eerste mitswa (opdracht) voor het joodse volk, die ons al in Egypte nog voor de Exodus werd gegeven, kregen wij de beschikking over onze eigen kalender en beheersen wij de tijd enigszins. Wij moesten vanaf Pesach 3334 jaar geleden iedere nieuwe maan onderzoeken en iedere nieuwe maand heiligen. In bepaalde mate leerden wij heersen over de tijd.
De joodse rechtbank hier op aarde, het Beet din, kon – als vertegenwoordiger van het hele joodse volk – bepalen wanneer de nieuwe joodse maand zou beginnen. Het gevolg hiervan was dat meteen ook de data van de eerstvolgende joodse feestdagen meebepaald werden.
Verheffing uit slavenstatus
De voormalige slaven en vervolgden hadden deze mitswa (opdracht) nodig om zich te kunnen verheffen vanuit hun slavenmentaliteit naar de status van vrije mensen, die hun omgeving beheersen en kunnen veranderen.
Van onderdaan veranderden de mensen in zelfstandige, vrije personen, die hun eigen beslissingen konden nemen, hun eigen omgeving mede vorm konden geven en veranderen en hun eigen verantwoordelijkheden leerden dragen.
Niet alleen kregen zij de macht over de maan, zij kregen ook de macht over de kalender. Deze macht over de tijd – een ongrijpbaar fenomeen – is zo sterk, dat een bekende Talmoedische uitspraak stelt, dat het Hemelse Gerechtshof wacht met het vaststellen van de nieuwe maand totdat het lagere gerechtshof, het Beet din hier op aarde, de nieuwe maan heiligt (B.T. Rosj Hasjana 8b).
Dit is zo sterk, dat dit zelfs geldt als het aardse Beet din een fout heeft gemaakt bij het berekenen en vaststellen van de nieuwemaandsdag Rosj Chodesj.
Midrasj: achtergronden van de verkleining van de maan
In het oorspronkelijke scheppingsplan van G’d zouden zon en maan gelijk zijn. De zon zou overdag heersen, de maan ’s nachts. Oorspronkelijk waren zon en maan even groot. De maan klaagde bij G’d, dat er “geen twee kapiteins op een schip” kunnen zijn. G’d gaf de maan toen de opdracht zich te verkleinen.
De maan protesteerde maar G’d troostte de maan met de zegen dat de maan in het vervolg Hamaor hakatan – het kleine licht – genoemd zou worden. Alle grote joodse leiders, die zich bescheiden gedroegen zouden naar de maan genoemd worden omdat ze ook alle nederig en gedienstig waren voor de klal – de gemeenschap – gelijk de maan.
Onze kalender benadrukt het belang van bescheidenheid in de religie
Onze kalender is een maankalender omdat we deze eigenschap van bescheidenheid en nederigheid willen benadrukken. Alleen door bescheidenheid benaderen we HaSjeem (G’d) het meest. Bescheidenheid is het karakter van iemand, die zich aan G’d hecht en hierdoor tot grote hoogten komen kan. Naast de macht over het element tijd kregen we ook de opdracht onder alle omstandigheden bescheiden te blijven en macht te schuwen omdat macht helaas corrumpeert.
HaSjeem zo dicht mogelijk te benaderen
De maan is het ultieme voorbeeld van bescheidenheid. G’d droeg de maan op zich te verkleinen. De maan nam dit serieus. De maan maakte zich oneindig veel kleiner dan de zon. En gaf ook zijn eigen straalkracht op. De maan zou vanaf nu alleen maar de stralen van de zon reflecteren en niet meer zelf stralen. Zo ook is het joodse volk er trots op dat wij de uitstraling van het G’ddelijke in de wereld mogen reflecteren.
Onze hele religie, onze hele traditie proberen wij zo zuiver mogelijk te houden door niets menselijks toe te voegen aan hetgeen wij van G’d ontvangen hebben. Zo is onze bescheidenheid een instrument om het Opperwezen zo dicht mogelijk te benaderen. En de kalender getuigt daarvan.
Voorgaande is de diepe achtergrond op Midrasj-niveau, hetgeen enigszins kabbalistisch van aard is. Een verklaring op nationaal niveau komt van de 19e eeuwse Rabbiner Hirsch uit Frankfurt.
Symbool voor de vernieuwing van het Joodse volk
De Joodse kalenderberekening volgt in eerste instantie de loop van de maan om de aarde en is in principe een maanjaar maar wordt vervolgens zoveel mogelijk in overeenstemming gebracht met het zonnejaar. Het primaat van de maankalender is ook filosofisch geïnspireerd: het wassen en afnemen van de maan staat symbool voor de vernieuwing van het Joodse volk.
“Gelijk de maan gaat het Joodse volk nooit verloren, zelfs niet in de duisterste perioden. Hernieuwde opbloei en revival zijn te allen tijde verzekerd, zolang G’ds kinderen Hem loyaal blijven”, aldus Rabbiner S. R. Hirsch, die de Joodse kalender een centraal thema van het Jodendom noemde.
Pesach kasjeer vesameach – een kosjere en vrolijke Pesach!
