Joods! Tora leren en leven.

“Je zult Mijn achterkant zien, maar Mijn aangezicht kan niet gezien worden”

De Toratekst

De versregel

staat in parsja Ki Tissa, in het dramatische moment na de zonde van het gouden kalf.

Mosjé Rabbenoe staat daar voor de Eeuwige en spreekt een bijna ongehoorde bede uit:

Het antwoord dat hij krijgt behoort tot de meest mysterieuze uitspraken van de Tora. De hele Joodse traditie – van de p’sjat (de eenvoudige uitleg) van de klassieke commentatoren tot de filosofie, kabbala en chassidische uitleg – ziet hierin een fundamentele uitspraak over de grenzen van menselijke kennis van Hasjeem.

De uitleg van Rasji

De eerste benadering vinden we bij Rasji. Hij verklaart de woorden van de Tora op een verrassend concrete manier.

Over de woorden

schrijft Rasji:

Rasji bedoelt hiermee uiteraard niet dat Hasjeem een lichamelijke vorm zou hebben – iets wat in het Joodse denken ondenkbaar is.

Mosjé krijgt een symbolische profetische visie.

Niet het “aangezicht”, dat wil zeggen de essentie van de Schepper zelf, maar slechts een spoor van de G’ddelijke relatie met de wereld.

De tefillien worden in het rabbijnse denken gezien als een teken van het verbond tussen Hasjeem en het volk Israël.

De knoop symboliseert de verbinding – een hint naar de goddelijke aanwezigheid, maar niet naar Zijn wezen.

De filosofische uitleg van Maimonides

Een filosofische uitleg vinden we bij Maimonides (Rambam) in zijn werk More Newoechiem – De Gids voor de Verdoolden (I:37–38).

Hij legt uit dat de begrippen “aangezicht” en “achterkant” metafysische categorieën zijn:

Volgens deze uitleg betekent het vers:

De mens kan de essentie van Hasjeem nooit kennen, maar wel Zijn daden in de wereld.

De schepping, de geschiedenis en de morele orde van de wereld zijn sporen van goddelijk handelen.

Mosjé ontvangt daarmee de hoogst mogelijke kennis voor een mens:
het inzicht in de wegen van God, maar niet in Zijn wezen.

De uitleg van Nachmanides (Ramban)

Een brug tussen de eenvoudige uitleg en de mystiek wordt gelegd door Ramban (Nachmanides).

Hij schrijft:

De mens begrijpt de G’ddelijke leiding niet vooraf.

Pas achteraf wordt zichtbaar hoe gebeurtenissen met elkaar samenhangen.

Volgens de Ramban betekent het vers daarom ook historisch:

Mosjé mag de leiding van Hasjeem over Israël begrijpen,
maar alleen achteraf.

De kabbalistische visie

De Kabbala verdiept dit idee nog verder.

De Zohar zegt:

In verband met ons vers verklaart de Zohar dat

  • פנים (panim – aangezicht)
    de directe G’ddelijke openbaring betekent
  • אחוריים (achorajim – achterkant)
    een indirecte uitstraling is – een licht dat pas zichtbaar wordt nadat het voorbij is gegaan.

Het G’ddelijke licht zelf blijft verborgen; alleen zijn spoor kan worden waargenomen.

De leer van de Ari: Tzimtzum

In de luriaanse kabbala van de Ari (Rabbi Jitschak Luria), overgeleverd door Chaim Vital, wordt onderscheid gemaakt tussen twee vormen van G’ddelijke uitstraling:

  • פנים – Panim
    directe openbaring van het goddelijke licht
  • אחוריים – Achorajim
    een teruggenomen, indirecte uitstraling

Zoals het in Etz Chaim wordt geformuleerd:

Hier verschijnt een centraal begrip van de kabbala:

Tzimtzum – G’ddelijke zelfverhulling

Als het G’ddelijke licht direct zou verschijnen (panim),
zou geen geschapen werkelijkheid kunnen bestaan.

Daarom verschijnt het indirect – als achorajim.

De Sefirot en de goddelijke stroom

In de taal van de Sefirot wordt deze passage nog dieper begrepen.

De hogere sefirot

  • Keter
  • Chochma
  • Bina

vertegenwoordigen niveaus van G’ddelijke kennis die voor de mens nauwelijks toegankelijk zijn.

Mosjé – de grootste van alle profeten – kon een openbaring tot het niveau van Chochma ervaren.

Maar het absolute G’ddelijke “aangezicht”, dat verborgen ligt in Keter (de Kroon), bleef zelfs voor hem onbereikbaar.

De “achterkant” is de weg waarlangs het G’ddelijke licht via de sefirot neerdaalt:

Chochma → Bina → Da’at →
Chesed → Gevoera → Tiferet →
Netzach → Hod → Yesod →
Malchoet

In Malchoet, het koningschap in onze wereld, wordt het licht uiteindelijk zichtbaar in de werkelijkheid zelf.

De mens herkent Hasjeem daarom niet in de bron van het licht,
maar daar waar het licht de wereld vormgeeft.

De uitleg van Ramchal

Ook Rabbi Moshe Chaim Luzzatto (Ramchal) schrijft in Da’at Tevunot:

De chassidische uitleg

De chassidische traditie gaf deze gedachte een diepe existentiële betekenis.

Vooral in de leer van Rabbi Nachman van Breslov krijgt deze versregel een centrale plaats.

In Likkutei Moharan leert hij dat een mens de leiding van Hasjeem tijdens de beproeving niet kan begrijpen.

Pas nadat de situatie voorbij is, wordt de bedoeling duidelijk.

Zijn leerling Reb Nosson formuleerde het zo:

Juist de ervaring van verborgenheid kan leiden tot diepere emuna (geloof).

Want als het G’ddelijke aangezicht zichtbaar zou zijn, zou er geen plaats zijn voor geloof.

De chassidische meesters

Ook andere chassidische leiders benadrukten dit idee.

De Chidushei HaRim (Rabbi Jitschak Meir Alter) leerde dat een mens vaak pas achteraf beseft dat elke stap van zijn leven geleid werd.

Zijn kleinzoon, de Sfas Emes, schreef:

De uitleg in Chabad

Ook in de chassidische leer van Chabad wordt dit vers verbonden met de structuur van de sefirot.

  • Panim – het aangezicht
    directe G’ddelijke kennis
  • Achorajim – de achterkant
    openbaring via de wereld van de mitswot en de geschiedenis

De mens ontmoet het goddelijke licht daarom niet rechtstreeks, maar via de kanalen van de Tora en de geboden.

Een spirituele metafoor voor het leven

Zo wordt deze versregel uiteindelijk een metafoor voor het menselijke leven zelf.

Wanneer men midden in het leven staat, lijkt veel onbegrijpelijk.

Gebeurtenissen lijken soms:

  • toevallig
  • verwarrend
  • of zelfs tegenstrijdig.

Maar achteraf, wanneer een deel van de weg al afgelegd is, wordt zichtbaar hoe de stappen met elkaar verbonden zijn.

In deze zin gaat de uitspraak

“Je zult Mijn achterkant zien”

niet alleen over Mosjé Rabbeinu, maar over ieder mens.

Het goddelijke aangezicht blijft verborgen.

Maar de sporen van Hasjeem – Zijn ‘achterkant’ – worden zichtbaar wanneer een mens achteraf beseft dat zijn pad geleid werd.

Zoals een oud chassidisch gezegde luidt:

Wanneer de mens vooruitkijkt, begrijpt hij niet.
Wanneer hij terugkijkt, begint hij te zien.
 

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.