Deze week in Parsja Misjpatiem krijgen wij een grote hoeveelheid civielrechtelijke voorschriften te horen. Ook deze voorschriften zijn volgens Rasjie op de berg Sinaï gegeven. Maar vlak voor al deze juridische aangelegenheden, voert de Tora enkele heel praktische voorschriften op, die weinig met al deze civielrechtelijke regels te maken lijken te hebben.
Rituele voorschriften
Vlak na de Tien Geboden en vlak voor de civielrechtelijke voorschriften van Misjpatiem staan een aantal voorschriften, die meer van rituele aard zijn (Ex. 20: 22-26):
“Toen zei G’d tegen Mosje: Zo moet u tegen de Israëlieten zeggen: U hebt zelf gezien dat Ik met u vanuit de hemel gesproken heb. U mag naast Mij geen goden van zilver maken, en goden van goud mag u ook niet voor uzelf maken. U moet voor Mij een altaar van aarde maken en daarop uw brandoffers en uw dankoffers, uw kleinvee en uw runderen offeren. Op elke plaats waar Ik Mijn Naam zal laten gedenken, zal Ik naar u toe komen en u zegenen. Maar als u voor Mij een stenen altaar maakt, mag u dit niet bouwen van gehouwen stenen, want als u ze met uw zwaard bewerkt, ontheiligt u ze. En u mag niet langs trappen naar Mijn altaar klimmen, opdat uw naaktheid daarop niet zichtbaar wordt”.
Menselijke zwakte ook na de grote Openbaring
‘U mag geen goden van zilver of goud naast Mij maken’ lijkt wat overbodig omdat dit vlak daarvoor al in de Tien Geboden uitvoerig aan de orde kwam. Maar het is zeker belangrijk om dit te herhalen. Want hoe verheven de Bnee Jisraeel (Joden) zich ook voelden na het horen van de Tien Geboden uit de mond van HaSjeem (G’d) Zelf, niettemin bleven ze mensen met alle menselijke zwakheden en vervielen ze korte tijd na de Tien Geboden tot afgoderij van het gouden kalf. Een extra waarschuwing was – helaas – dus wel degelijk op zijn plaats.
Een aarden altaar
G’d wil geen altaren van edelmetaal maar eenvoudig slechts een aarden altaar. Een gouden of zilveren altaar is niet nodig. Waar het om gaat in de G’dsdienst is eenvoud en puurheid.
Praal en pracht horen bij decorum en eerbied voor de Allerhoogste.
Een altaar staat echter voor onze opofferingsgezindheid.
Hiervoor is bescheidenheid, nederigheid, ootmoed en zuiverheid, oprechtheid nodig.
Zwaard en altaar zijn niet met elkaar te verenigen
Een altaar mag niet met een zwaard of houweel bewerkt worden. Rasjie legt hierbij uit, dat een zwaard en een altaar niet met elkaar compatible zijn. Het zwaard wordt gebruikt om het leven te bekorten maar het altaar is bedoeld om ons leven te verlengen. Hoewel het hier om dode materie gaat, straalt dit toch een subtiele boodschap uit. In het rijk van het Misjkan, het heiligdom passen geen voorwerpen van geweld, agressie en oorlog.
Een altaar moet met een helling bestegen worden
De boodschap van het verbod om een altaar met een trap te bestijgen, is nog veel subtieler. Door toedoen van de treden zou men zijn stappen moeten verbreden en dat zou kunnen leiden tot het ontbloten van de genitaliën boven deze altaarstenen. Dit zou tot minachting voor de altaarstenen kunnen leiden of op minachting kunnen duiden.
Eerbied voor de omgeving
Hier wordt een soort eerbied voor alles om ons heen, voor de hele schepping, ook voor dode materie aangeleerd:
“Hoe is het met deze stenen, die geen gevoel voor minachting hebben? Deze mag men toch niet minachtend behandelen. Dan geldt dit toch zeker voor de medemens, die wel gevoelig is voor minachting, dat men hem of haar niet mag beschamen”.
Kort samengevat: hier wordt ons eerbied voor de omgeving op subtiele wijze bijgebracht. Dit zijn belangrijke onderwerpen en aandachtspunten maar waarom staan deze juist op deze plaats, tussen de Tien Geboden en de civielrechtelijke bescherming?
Het maakt ons duidelijk, dat hoewel dode materie als stenen geen rechten geldig kunnen maken, wij er niettemin goed aan doen om het wel en wee van onze omgeving in de gaten te houden. Het milieu kan misschien niet beledigd worden maar beschadigd worden kan het wel. En deze eerbied moet ons leren hoe we moeten omgaan met onze medemens: met veel eerbied voor het G’ddelijke in de mens.
Dit vormt de passende inleiding op het civielrechtelijke deel van de Tora. Ook in het recht gaat het om eerbied voor de medemens.
Bovennatuurlijke redding maakt hoogmoedig
De Bnee Jisraeel (Joden) waren zojuist als minderheid bevrijd uit Egypte en gered uit de handen van het machtigste leger ter wereld, Farao’s strijdkrachten. Ze hadden op bovennatuurlijke wijze door de woestijn gereisd. Ze hadden manna uit de hemel ontvangen, kregen water uit de meereizende bron van Mirjam, kregen ’s avonds kwartels te eten en ze werden beschermd door de wolken van G’ddelijke Majesteit.
Op de berg Sinai waren ze door het Opperwezen Zelf aangesproken. Op een bepaald moment zouden de Bnee Jisraeel wat hoogmoedig kunnen worden.
Onze omgeving blijft een belangrijk onderdeel van ons dagelijkse leven
Daarom drukt G’d ons juist hier nog eens met de neus op de feiten. Heb aandacht voor zelfs het kleinste detail uit je omgeving. Blijf bescheiden. Ken de vele verleidingen van deze wereld en wapen je daartegen. Eis geen grote dingen voor jezelf en blijf nederig.
Heb oog voor de ‘gevoeligheid van de natuur’ om je heen en houd dit altijd in gedachten. Blijf bovenal gevoelig voor de eer van de mensen in je omgeving. Sommige dingen zijn misschien niet zo hoog verheven als de Tien Geboden of niet zo afdwingbaar als het civielrecht maar vormen niettemin een uiterst belangrijk onderdeel van ons religieuze en aardse leven.
