Joods! Tora leren en leven.

Grenzen tussen mijn en dijn

Parsja Misjpatiem (Exodus/Sjemot 21:1- 24:18) 

“We’ele hamisjpatiem” -En dit zijn de voorschriften.

Rasji legt uit, dat we’ele met de verbindende waw duidelijk maakt, dat hier voortgeborduurd wordt op Matan Tora (het geven van de Tora) op de berg Sinaï. Het laatste verbod luidde “Gij zult niet begeren“.

Rabbi Ovadja Sforno stelt, dat een groot deel van het civiele recht gebaseerd is op het onderscheid tussen mijn en dijn. Had de Tora de scheidslijnen niet duidelijk afgebakend dan hadden wij nooit kunnen voldoen aan “Gij zult niet begeren” omdat niemand had geweten waar de grenzen liggen.

“We’ele hamisjpatiem asjer tasiem lifnehem” – En dit zijn de voorschriften, die jij aan hen zal voorleggen.

De Tora kent bepalingen, die niet voor iedereen gelden, zoals de offerwetten, die alleen voor Kohaniem gelden. Het civiele recht geldt echter voor iedereen. Daarom staat er “die jij aan hen zal voorleggen“. Iedereen wordt geacht de wet te kennen.

Een jonge doch grote Talmoedgeleerde kwam eens bij Rabbi Jisra’eel Salanter en vertelde hem, dat hij geen sjocheet (ritueel slachter) meer wilde zijn omdat hij de verantwoordelijkheid voor het kasjroet niet meer aankon. Hij vreesde missers bij de sjechita (slachting) en kon daar niet van slapen.

“Wat wil je dan gaan doen voor je parnose (levensonderhoud)?”.

“Ik denk dat ik maar beter in zaken kan gaan”, zei de wanhopige sjocheet.

“Je vlucht voor de verantwoordelijkheid van de sjechita (kosjere slacht) waar in feite maar een enkel Tora-verbod bestaat en zoekt je heil in het zakendoen, waar er tientallen verboden worden overtreden bij oneerlijk gedrag: diefstal, verduistering, oplichting, rente, te laat betalen, leugen, bedrog etc etc.!”. 

Aan het einde van de vorige sidra staan verschillende voorschriften voor het mizbe’ach (altaar). Nu had men kunnen menen, dat offers het belangrijkste zouden zijn in de religie. Daarom volgen nu de Misjpatiem – omdat de sociale voorschriften voor de offers komen.

”Recht en tsedaka is G’d liever dan een offer” (Spr. 21:3).

Waarom begint de Tora met slavernij?

De Ibn Ezra verklaart: ”Omdat er niets moeilijkers bestaat dan onderworpen te zijn aan een ander mens”.

“En zijn heer zal zijn oor met een priem doorboren” (21:6).

Wanneer een slaaf langer dan zes jaar bij zijn meester wil dienen, wordt zijn oorlel met een priem doorboord tegen de deurpost.

De Talmoed (B.T. Kiddoesjien 22b) vertelt waarom dat zo is: het oor dat op de berg Sinaï heeft gehoord dat de joden slaven zullen zijn voor Mij – G’d – verdient enige correctie nu deze man zichzelf niettemin verkocht aan zijn medemens.

Maar waarom wordt hier alleen het oor “gepakt”? Het oor was alleen maar het doorgeefluik van G’ds wens! De hersens waren verkeerd! Hij was te veel “mens-afhankelijk”. Waarom werd dat oor dan gestraft?

Verschillende Rebbes stellen dat het inderdaad de fout is van het oor. De mens heeft wel gehoord maar daar is het ook bij gebleven. De boodschap bleef in zijn oor hangen. Hij luisterde niet, het ging “het ene oor in en het andere oor uit”.

Dit gebeurt helaas maar al te vaak. Vele mensen weten de oplossing voor hun problemen maar zijn niet in staat om dit ook te realiseren in de praktijk. Vaak leiden wij een toeschouwersbestaan.

“Wanneer iemand zijn naaste zilver of voorwerpen geeft om te bewaken” (22:6).

De Talmoed (B. Kamma 62b) stelt, dat een schadevergoedingsplicht alleen bestaat als eigendommen van andere mensen bij mij worden gestolen of verloren raken. Als zaken van hekdeesj (eigendom van het Beet Hamikdasj, de Tempel) worden gestolen hoef ik die echter niet te vergoeden aan de Tempel.

Maar waarom zou hekdeesj minder gunstig behandeld worden dan prive-bezit?

Rabbi Chaim ibn Attar (1696-1743) wijst op een voorschrift bij de sjo’eel, de lener. In principe moet de lener alle schade vergoeden, ook wanneer hij niets aan het verlies of diefstal kan doen (hij of zij heeft immers alle voordelen van de geleende zaak zonder dat daarvoor betaald werd. Vandaar het verzwaarde terugbetalingsregime).

Hierop bestaat echter een uitzondering: wanneer de eigenaar van het object in opdracht van de lener voor hem bezig is, geldt dit niet (22:14).  

Rabbi Chaim vervolgt: “In principe kan men stellen dat in de relatie mens-G’d Hakadosj Baroech Hoe, de Eigenaar van hekdeesj, altijd met en voor ons bezig is. Niets gebeurt er zonder dat Hij dat wil. Daarom is de mens vrijgesteld van schadevergoeding als hekdeesj gestolen wordt of verloren raakt“.

“Vanwege ieder woord van zonde” (22:8).

In Spreuken (10:19) zegt koning Sjelomo: ”Bij veel woorden kan zonde niet uitblijven, hij die zijn lippen terugtrekt, is verstandig”.

Op Spreuken 6:7 “Alle moeite voor de mens is voor zijn mond” verklaren onze Chagamiem, dat al onze goede daden nauwelijks kunnen opwegen tegen alles wat wij zondigen met de mond.

“Wat is de beste daad voor de mens? Zich als stom voor te doen!” (B.T. Choelien 89a). Met zwijgen bereiken we vaak meer dan met praten. In het Nederlands zeggen wij: “Spreken is zilver maar zwijgen is goud”.

Cookies Notice

Our website uses cookies. If you continue to use this site we will assume that you are happy with this.