Onze grote leiders trokken zich de problemen van het volk aan als hun eigen problemen
Sjemot is de dertiende parsja van de Tora, de eerste van het gelijknamige, tweede Tora-boek, Sjemot. Het boek Sjemot beschrijft 140 jaar vanaf de dood van Joseef tot de bouw van de Tabernakel. Het aantal parsjiot, wekelijkse afdelingen bedraagt elf en het aantal verzen 1209.
- Het behandelt de Egyptische slavernij, de uittocht uit Egypte, de Tora-wetgeving bij de berg Sinai en de bouw van de Tabernakel.
Hoewel de parsja Sjemot, namen heet, maakt Rav Zweig, de Rosj Jesjiva van een van mijn zoons, er ons op attent, dat er heel veel namen in deze parsja juist niet genoemd worden.
- Amram heet `een man uit het huis Levi’, Jocheved wordt een dochter van Levi genoemd, Mosje heet een jongen of een jongeman, Mirjam wordt zijn zuster genoemd, Batja heet de `dochter van Farao’.
Het verschil tussen Bereesjiet, het boek Genesis en Sjemot, het boek Exodus is dat het in Bereesjiet gaat om de karakterontplooiing van de Avot, de Aartsvaders, die het fundament hebben gelegd voor het ontstaan van het Joodse volk. De zuiverheid van hun psyche en motieven, hun persoonlijke aansluiting bij het G’ddelijke in de wereld stond daar centraal.
Maar in Sjemot ontstaat het Joodse volk. Daarbij is het individuele niet essentieel maar gaat het om het grotere geheel. Daarom worden de grote wonderen van de geboorte van Mosje uit een moeder, Jocheved, die 130 was en de miraculeuze redding van Mosje uit de Nijl door de lange hand van Batja, ook niet vermeld. Centraal staat nu het volk als geheel en dat is een heel andere dimensie!
“Maar de zonen van Jisra’eel waren vruchtbaar geweest, ze hadden zich uitgebreid en vermeerderd zodat ze tot een buitengewoon machtige volksgemeenschap (bimeod meod) waren geworden en het land vol van hen was” (1:7). “Toen kwam er een nieuwe koning aan het bewind over Egypte, die Joseef niet had gekend” (1:8).
Hoe was het mogelijk Joseef te vergeten, die vanaf zijn 30e jaar tot 110 – dus 80 jaar – had geregeerd? Waarom wordt de bevolkingsexplosie gerelateerd aan het niet meer kennen of herkennen van Joseef? Wat betekent de frase het land vol van hen was? Deze mededeling lijkt overbodig.
Misschien is de volgende verklaring een uitleg op de vragen. De Kli Jakar (Rabbi Sjelomo Ephraim Luntschitz (1550 –1619, Praag) wijst ons op de uitdrukking bimeod meod, die duidt op grote rijkdom. Bechol meodecha uit Sjema betekent ook met je hele vermogen.
De Bnee Jisra’eel werden rijk. Ze gingen op in het openbare leven. Ze deden met alle culturele aangelegenheden mee. Er was steeds minder plaats voor hun Jodendomsbeleving. Ze waren niet meer te onderscheiden van hun buren.
Toen kon de nieuwe koning hen ook niet meer herkennen als kinderen en leerlingen van Joseef. Hij zag het verband niet meer tussen de wijze Hebreeuwse heerser en zijn kleinkinderen en achterneven. De nieuwe Farao herkende in de nieuwe Joden de traditionele waarden en normen van Joseef niet meer. En hij concludeerde: “Zie dat volk, de kinderen van Jisra’eel wordt ons te veel en te machtig” (1:9). Een paradoxale tragedie! De Joden bleven voor hun buren als Joden herkenbaar maar niet zozeer vanwege hun Jodendomsbeleving maar vanwege hun afstamming.
“Na verloop van tijd toen Mosje volwassen was geworden en uitging naar zijn broeders en hun dwangarbeid zag…” (2:11). Mosje had van zijn moeder gehoord, dat hij Joods was. Hoewel hij in alle praal en pracht leefde in Farao’s paleis, voelde hij zich innig verbonden met zijn lijdende broeders.
Rasji legt uit, dat hij `zijn ogen en zijn hart involveerde’ om in hun sores te delen. Hij werd `nosee be’ol chavero’ – letterlijk hielp dragen het juk van zijn volksgenoten. Hij had intens verdriet van hun ellende. Dit is een eigenschap gebleven van al onze grote leiders.
De problemen van hun medemens trokken zij zich aan als hun eigen problemen. Toen in 1895 in Brisk een groot aantal huizen in de vlammen opging, weigerde Rabbi Chaim Soloveitchik te gaan rusten totdat iedereen weer een dak boven zijn hoofd had. De Chafeets Chaim kon tijdens de eerste wereldoorlog niet in zijn comfortabele bed blijven slapen omdat hij wist hoeveel ontheemden door Europa zwierven.
“Laat ons toch drie dagen de woestijn ingaan en laat ons offeren voor Hasjeem” (5:3). Het was G’ds bedoeling om de Joden voor altijd weg te voeren uit Egypte. Waarom wordt in Mosje’s eerste voorstel dan alleen gesproken over drie dagen?
Hasjeem wilde de Egyptenaren voornamelijk straffen voor hun wreedheid. De Joodse jongetjes waren in de rivier de Nijl vermoord. G’d wilde voornamelijk dit vergrijp wreken. Wanneer de Joden na drie dagen niet zouden terugkeren, zouden de Egyptenaren hen achtervolgen en – mida keneged mida – op dezelfde wijze aan hun einde komen als zij voor de onschuldige Joodse baby’s hadden bedacht. Dit gebeurde uiteindelijk bij de splitsimg van de Schelfzee na de Uittocht uit Egypte. Boontje komt om zijn loontje toont de precisie van het G’ddelijk ingrijpen in de geschiedenis.
