Wanneer wij de passage in deze parasja bestuderen waarin G-d Mosje Rabbenoe aanspoort om het leiderschap op zich te nemen, is het opmerkelijk te zien hoeveel verschillende argumenten Mosje aanvoert om zich aan deze opdracht te onttrekken…
Allereerst redeneert hij tegenover Hasjeem dat de Bnee Jisraëel hem zullen vragen: „Wie is de G-d die jou heeft gestuurd?” Vervolgens zegt hij: „Zij zullen mij niet geloven dat ik door G-d ben aangesteld.” Wanneer hij daarop een antwoord krijgt, zegt hij eenvoudig: „Ik ben geen spreker en ik stotter.”
Wanneer hem vervolgens wordt verzekerd dat ook dit geen probleem zal zijn, zegt Mosje Rabbenoe: „Stuur degene die U gewoonlijk stuurt (naar Farao).” Daarmee doelde Mosje op zijn oudere broer Aharon, die tot dan toe „onofficieel” deze rol had vervuld.
Het lijkt erop dat al deze andere „redenen om te weigeren” slechts uitvluchten waren voor wat Mosje werkelijk bezighield: namelijk de vrees dat zijn oudere broer gekwetst zou kunnen worden door Mosjes nieuwe aanstelling, temeer daar Aharon tot nu toe als de onofficiële leider had gefungeerd.
Waarom zei Mosje dit dan niet meteen? Hij probeerde toch zeker niet zijn ware motief voor G-d te verbergen?
Misschien leren wij uit dit hoofdstuk dat onze echte beweegreden vaak diep in ons onderbewuste verborgen ligt, terwijl wij onszelf slechts bewust zijn van meer oppervlakkige verklaringen.
Mosje Rabbenoe was chas vechalila (G’dbewaar) niet bezig zijn gevoelens voor zijn Schepper te verbergen. Hij ontdekte zijn ware motief pas nadat hij alle andere „openlijke” redenen had onderzocht.
Inderdaad: pas nadat Hasjem hem verzekerde dat Aharon niet alleen zou instemmen, maar zelfs oprecht blij zou zijn dat zijn jongere broer Mosje de leider van Am Jisraëel werd, stemde Mosje ermee in de opdracht te aanvaarden.
Goed Sjabbat,
HaRav Chaim Michael Biberfeld, shelita
Tchortkov Klois United Synagogue
Stamford Hill, Londen (GB)
