Vraag 4: Was er toen een allochtonenprobleem?
De nieuwe koning was bereid om alles te doen om een einde te maken aan het Joodse vraagstuk. Hij deed alsof hij Joseef nooit gekend had en hij ontkende ook het bestaan van Hasjeem. Farao wilde allereerst de Joodse mannen en vrouwen scheiden zodat ze minder kinderen zouden krijgen. Maar hoe kreeg hij de Joden aan het werk? Hij ging zorgvuldig te werk. Hij verplichtte iedereen om mee te werken aan de verbouwing van twee grote voorraadsteden, Pitom en Ramses.
Daar zouden de schatten van Egypte opgeborgen worden, als een soort nationale bank. Het was een groot bouwproject en iedereen die mee zou werken zou goed beloond worden. Alle loyale burgers werden opgeroepen om iets voor het land te doen. Ook Farao zelf verscheen op de bouwgrond met een schep en een schoffel. Zo kon niemand claimen dat hij te goed was voor het bouwwerk, want niemand was fijner en delicater dan Farao. Iedereen deed mee, van hoog tot laag. De Bnee Jisra’eel voelden dat zij ook moesten meedoen in het belang van het land. De Bnee Jisra’eel begonnen vlijtig met hun werk. Ze waren sterk en daardoor vorderden ze snel met de bouw. ’s Avonds telden de soldaten van Farao de stenen die ze gebakken hadden.
Dit was de basis voor het quotum dat ze elke dag moesten afleveren. Een maand lang betaalde Farao zijn werknemers. Maar na verloop van tijd verdwenen alle Egyptische arbeiders van de werkplaats. Na zestien maanden waren er helemaal geen Egyptische arbeiders meer. De Bnee Jisra’eel kregen niet meer betaald. Ze protesteerden maar ze werden in elkaar geslagen door het Egyptische leger. Politie en leger werkten samen om de Joden aan het werk te houden en ervoor te zorgen dat iedereen ’s ochtends op het werk verscheen. De Bnee Jisra’eel moesten ook al het geld teruggeven wat ze eerder hadden verdiend.
Vraag 5: Welke tactiek gebruikte Farao?
Eén stam had nooit meegedaan met het nationale werkplan van Farao. De stam Levi was doorlopend bezig met het bestuderen van de Tora en was vrij gebleven tot het einde van de Egyptische slavernij. Als ze maar één stap buiten het Beet Hamidrasj hadden gezet, zouden ze daar 210 jaar slavernij aan hebben overgehouden. De Levieten concentreerden zich op het Tora-leren en verspreidden de religieuze boodschap.
Pitom en Ramses kwamen nooit af. Deze steden waren gebouwd op drijfzand en alle gebouwen zakten langzamerhand weg en verdwenen. De Egyptenaren dwongen de Joden tot heel zwaar werk en Farao probeerde de mannen van de vrouwen te scheiden door de mannen ’s nachts te laten slapen in de velden, terwijl de vrouwen in de stad bleven.
Vraag 6: Waarom had lern-Levi een speciale status?
De harde besluiten van Farao waren effectiever om de harten van de Bnee Jisra’eel op Hasjeem te richten dan veertig jaar lang les en leiding van Mosjee in de woestijn! De Bnee Jisra’eel deden tesjoeva en schreeuwden tot Hasjeem. De vrouwen lieten niet over zich heen lopen. Ze schepten water en Hasjeem zorgde ervoor dat er kleine visjes in zwommen. De vrouwen gingen naar de velden, wasten hun mannen met warm water en kookten de vis.
Ze troostten hun mannen en beloofden hen dat ze eens bevrijd zouden worden. Ze kregen kinderen en ze geloofden dat Hasjeem de kinderen zou beschermen. Er gebeurden duidelijke wonderen: de vrouwen kregen kinderen in de boomgaarden of op het veld. Ze moesten de kleine kinderen achterlaten maar die groeiden vanzelf op. Zij hielden zich verborgen voor de Egyptische patrouilles. Eenmaal groot konden ze terug naar huis.
Vraag 7: Vertel iets in je eigen woorden over `Vrouwenmoed en onderduik’.
Farao begreep dat zijn plan met de kampen in de velden gefaald had. Hij zocht een betere oplossing voor het Joodse vraagstuk met een nieuwe strategie. Farao durfde de Joden niet openlijk te doden omdat hij begreep dat hij dan door Hasjeem gestraft zou worden. Bovendien zou de publieke opinie dit niet nemen. Hij zocht mensen die voor hem de Joodse baby’s bij geboorte konden doden.
Hij wilde dit niet zelf doen maar probeerde het via de Joodse vroedvrouwen, Sjifra en Poe’a. Zij zouden dan de verantwoordelijkheid dragen voor de kindermoord. Farao zei tot Sjifra en Poe’a: “Als jullie de Joodse vrouwen bij het baren helpen, moeten jullie de jongetjes doden maar een dochter mag in leven blijven.” De vroedvrouwen vreesden Hasjeem en gehoorzaamden Farao niet.
Ze vertroetelden de Joodse kinderen zelfs. Jocheved heette Sjifra van het Hebreeuwse woord ‘mooi maken’ omdat ze de kinderen altijd waste, schoonmaakte en mooier maakte. Mirjam werd Poe’a genoemd omdat ze de kinderen tot bedaren kon brengen wanneer ze erg huilden. Jocheved en Mirjam begrepen dat ze enorme risico’s namen maar zij vreesden Hasjeem meer dan Farao.
