Parsja Teroema (Shemot/Exodus 25:1 – 29:19)
Wat is het belangrijkste in het Jodendom?
Wat we denken of wat we doen?
Er bestaat natuurlijk een wisselwerking, een interactie tussen wat wij denken en wat wij doen. Als ik een goede daad doe, zoals Tefillien leggen maar ik koester daarbij de meest abjecte en doortrapte gedachten, dan laat ik natuurlijk niet veel heel van de mooie mitswa, die ik aan het uitvoeren ben.
Alleen maar filosofie is ook niet de bedoeling
Omgekeerd geldt natuurlijk hetzelfde: als ik mij alleen maar overgeef aan mooie bespiegelingen en beschouwingen, kan ik wel intens gelukkig worden maar draag ik niets bij aan de tikoen olam, het verbeteren van de wereld en mijzelf.
Combinatie van doen en denken
Vrijwel alles in het Jodendom is een combinatie van machsjawa, gedachte (liefst zo puur en verheven mogelijk) en ma’asee, doen en handelen. Het een gaat niet zonder het ander. Dit is volgens mij het uitgangspunt van de Tora en sluit ook naadloos aan bij onze psychische en fysieke bouw, die ook door HaSjeem zo gepland was.
De mens is een grote combinatie van lichaam en geest.
Vandaar dat ook al onze mitswot, die bedoeld zijn om ons te vervolmaken, een doorlopende samenwerking eisen van ons lijf en onze spirit.
Onbewuste Tsedaka
Opvallend dat het op het gebied van Tsedaka een beetje anders kan lopen. Ook als we onbewust Tsedaka geven, wordt dat ons aangerekend als liefdadigheid.
Stel dat u 10 euro verliest en een arme dit vindt en dit voor zichzelf gebruikt. Hoewel onbedoeld, heb ik toch de mitswa, het gebod van Tsedaka vervuld.
De pure daad van het verliezen, is – ook zonder enige goede intentie om anderen te helpen – voldoende om mijn Hemelse krediet te verhogen. Niet alleen een goede kawana (intentie) wordt ons – zelfs zonder goede daad uiteindelijk – positief aangerekend maar ook een goede daad zonder enige kawana.
Iedereen die vrijgevig is moet bijdragen aan de bouw van de Tabernakel
In parsja Teroema worden we met dit fenomeen van ‘goede kawana maar geen werkelijk goede daad’ geconfronteerd.
De Tora benadrukt bij de donaties van de bouw van het Misjkan, het meereizende Heiligdom in de woestijn (die overigens symbool staat voor onze reis door dit eindeloze golus (galoet, exil of ballingschap) sinds in 70 na de Tempel verwoest werd en wij verdreven werden uit ons eigen, heilige land) steeds dat de mensen van goede wil en vrijgevig moeten zijn bij hun gaven aan dit grootse project: “iedereen die vrijgevig is moet bijdragen aan de bouw van de Tabernakel”.
Mogen gierige mensen niet meedoen?
Juist voor hen is het een geweldige opoffering te doneren en wordt het als een goede daad par excellence aangerekend?
Waarom benadrukt de Tora steeds de goede intentie hierbij?
Maar wij projecteren – zoals altijd – onze eigen gevoelens en omstandigheden op de Bnee Jisraeel zo vlak na de Uittocht. Als wij iets weggeven doen we dat vrijwel altijd van onze eigen, zuur verdiende centjes. We hebben er veel, zeer veel voor gedaan om dit geld te verdienen.
Zodra we dit kunnen delen met anderen, moet dit bijna automatisch met een pure intentie geschieden. Iets dat we met veel ‘blood, sweat and tears’ verdiend hebben met anderen delen, is op zichzelf al een toonbeeld van goedheid en vrijgevigheid.
Maar we vergeten de situatie van de Bnee Jisraeel zo kort na de Exodus uit Egypte.
Plotseling rijk geworden – zonder veel inspanning
Ze vertrokken als arme slaven maar hadden veel kostbaarheden meegekregen van de Egyptenaren. Plotseling rijk geworden – zonder veel inspanning – hechtten ze niet veel aan hun nieuwe aardse verworvenheden.
Later kregen ze nog veel extra’s mee aan de oever van de Jam Soef (Schelfzee) toen het Egyptische leger voor hun ogen verdronk.
Ook konden ze in de woestijn weinig met al die kostbaarheden, die ze meegekregen hadden uit Egypte. Ze hadden weinig contact met de omringende volkeren en hadden eigenlijk weinig behoefte aan nieuwe dingen.
Hun eten bestond uit kwartels tegen de avond en voor de rest van de dag aten ze Manna, dat elke morgen viel en waarin ze konden proeven wat ze wilden.
Hun kleren groeiden mee aan hun lichaam, zodat er geen uitgaven voor een nieuwe garderobe nodig waren gedurende veertig jaar. Kortom: ze hechtten hoogstwaarschijnlijk weinig aan hun nieuwe bezittingen.
Het viel hun dus ook niet zwaar om hun materiele rijkdom aan het G’dsgebouw te schenken
Hun fysieke opoffering was in die tijd en onder die omstandigheden niet werkelijk groots of indrukwekkend.
Wat wel indrukwekkend was, dat zij na het debacle van het gouden kalf nu het enthousiasme konden opbrengen om een heilige Tempel voor HaSjeem te bouwen.
Daarom benadrukt de Tora dat het in deze situatie niet zozeer om hun vrijgevigheid in fysieke zin ging maar om hun inzet en gevoelens bij dit nieuwe grote nationale project van het zich richten op het G’ddelijke in de wereld: letakeen olam bemachoet Sjakkai – de aardse realiteit ombouwen tot een woonplaats voor de Sjechina, de G’ddelijke Aanwezigheid.
