Tetsawe bespreekt ondermeer de kleding van de kohaniem.
Een koheen is alleen maar geschikt voor de Tempeldienst wanneer hij hierin gekleed is: ‘Zolang hun kleren op hen zijn, is hun priesterschap op hen; hebben ze de priesterkleding echter niet aan, dan zijn ze niet meer geschikt voor de dienst’ (B.T. Zewachiem 17b).
De priesterkleding geeft de kohaniem een duwtje ‘omhoog’.
Er is een bekende uitspraak dat de kleding van de kohaniem, gelijk de offers, kappara (verzoening) schenkt. Waarom geven hun kleren de kohaniem kappara?
De kohaniem droegen hun kleding niet om zichzelf te verfraaien, maar juist om de G’dsdienst met extra decorum te omgeven. Kleding werd dus niet voor zelfzuchtige doelen aangewend maar voor hogere.
Daarom was het een kappara (verzoening) voor de noodzaak van kleding.
Ontrouw aan de opdracht van HaSjeem
Adam en Eva in het Paradijs moesten kleding gaan dragen omdat ze ontrouw waren geworden aan de G’ddelijke opdracht.
Het woord beged betekent ontrouw.
Wanneer wij onze kleding echter gebruiken voor hogere wijding, zoals de kohaniem, dan krijgt onze kleding een diepere dimensie. Kledingsvoorschriften drukken ons met de neus op de betekenis van onze kleding.
De traditionele joodse klederdracht fascineert onze omgeving. Wat is onze kledingsfilosofie?
G’dsbesef in onze kleding
Ook in onze kleding komt het G’dsbesef tot uiting. Sociologen stellen, dat wij ons kleden om ons te beschermen tegen de natuurelementen of om onszelf te verfraaien. Kleding geeft ook het gewicht van onze maatschappelijke functie aan, van politieagent tot een arts.
De kledingtheorie uit de Tora luidt, dat wij ons naakt schamen. Het woord beged (kleding) komt van de stam `ontrouw’. Wij realiseren ons – sinds de zondeval – dat wij kleren moeten dragen om niet ten prooi te vallen aan allerlei lagere driften door blootstelling aan de verleidingen van het lichaam. Ook hier onderscheidt de mens zich van het dier.
Verbinding tussen roechnioet en gasjmioet
Het Jodendom beziet de mens als een paradoxale combinatie van lichaam en geest. Dit samengaan van lichaam en geest wordt iets wonderlijks ervaren, dat het bijzondere van het menszijn bevestigt. Aan de ene kant heeft de mens trekken van deze wereld in zich terwijl hij aan de andere kant tot verhevener sferen behoort. Daardoor vormt hij de enige mogelijke verbinding tussen beide.
Maar juist daarom hebben we af en toe een waarschuwing nodig om ons aan onze hogere roeping te wijden. Daarom is er de keppel.
De keppel is meer dan alleen het gevoel, dat ‘er iets boven ons is’.
De keppel vormt een deel van de kleding en volgt de algemene kleedvoorschriften: “Adam en zijn vrouw waren beide naakt maar zij schaamden zich niet” (Genesis 2:25). Na de zondeval schaamden Adam en Eva zich en naaiden zij zich van vijgenbladeren schorten (ibid. 3:7).
Volgens de Tora kleden wij ons dus omdat wij ons schamen. De keppel is een onderdeel van de kleding. Wij bedekken onze hersenen omdat wij ons schamen voor ons verstand. G’d heeft de mensheid met zeer veel intelligentie begiftigd maar als wij het resultaat van onze inspanningen aanschouwen, komen wij al gauw tot de conclusie dat wij er niet veel van gebrouwen hebben.
Pejes
Leviticus 19:27: “Je zult de hoeken van je hoofd niet rondom afscheren” vormt de basis van de pejes, de oorlokken. Volgens de negentiende-eeuwse Rabbiner Samson Refa’el Hirsch uit Frankfort vormen de pejes een afscheiding tussen het cerebrum en het cerebellum, de grote en kleine hersenen.
Hogere mensfuncties en gewone lichaamsfuncties
In het cerebrum liggen de hogere mensfuncties geconcentreerd, terwijl het cerebellum de gewone lichaamsfuncties, zoals lopen en grijpen, coördineert. Het dragen van pejes is dus een uiting van het besef, dat wij ons in ons dagelijks leven bewust moeten zijn van het feit, dat wij een aantal karaktereigenschappen delen met de dieren, zoals de Babylonische Talmoed ook duidelijk stelt: “In drie opzichten lijkt een mens op een dier: hij eet en drinkt, scheidt de onbruikbare voedselbestanddelen uit en plant zich voort als een dier”.
Scheiding tussen hoger en lager
Zelfs bij deze animale lichaamsfuncties moet de mens proberen zich te verheffen boven de fauna. Chassidische joden laten de pejes, die meestal worden opgerold achter de oren of worden samengebonden onder de keppel, loshangen tijdens het gebed omdat wij ons tijdens het dawwenen volledig op het hogere moeten concentreren. Dezelfde gedachte van scheiding van hoger en lager komt tot uitdrukking in de gartel, de gebedsriem, die door het Jekkisje jodendom nooit werd geaccepteerd, maar in Chassidische kring onmisbaar is.
De Baard
Het meest valt de baard op. Het is volgens de Tora in ieder geval verboden de hoeken van het gezicht met een mes te scheren. Het scheren met een scheerapparaat wordt, zij het met enige tegenzin, door Poskiem (decisoren) toegestaan. Een baard bedekt de onderkaak, waar het eten wordt geconsumeerd en de smaakzintuigen zijn gelocaliseerd. Met name chassidische joden laten de onderkaak overwoekeren door een weelderig gewas vanuit het besef, dat deze levensfunctie ons menszijn niet mag domineren.
Wij eten niet omdat wij bepaalde gerechten lekker vinden maar veel meer omdat wij het voedsel nodig hebben voor onze gezondheid en onze lichamelijke gezondheid staat uiteraard in het teken van onze G’dsdienst.
Dit is een belangrijke gedachte – een eyeopener – in onze consumptiemaatschappij. Het leert ons dat wij in het leven niet alleen uit moeten zijn op plezier en genot maar dat zelfs de meest simpele en alledaagse handelingen zoals eten en drinken in het teken staan van ons jodendom. Mens sana in corpore sano, religie kan alleen tot ontplooiing komen bij leven en welzijn.
Lange zwarte jassen
Velen menen, dat de lange zwarte jassen een imitatie zijn van de klederdracht van de Poolse adel. De eerste vraag, die hierbij opkomt, luidt of wij ons in onze kleren moeten onderscheiden van onze omgeving. Eén van de manieren waarop de joden in Egypte – vóór het geven van de Tora – hun eigen identiteit konden handhaven was hun eigen klederdracht. Uiterlijke aanpassing is inderdaad het begin van assimilatie.
Gehechtheid aan de Tora
Niettemin dragen wij dezelfde kleding als onze medeburgers, omdat wij tegenwoordig iets anders hebben waarin wij ons onderscheiden n.l. onze gehechtheid aan de Tora, die garant staat voor het behoud van de joodse identiteit.
Zwart symboliseert een gevoel van bescheidenheid
De kleur zwart wordt reeds voorgeschreven in de Sjoelchan Aroech, de joodse codex, omdat deze kleur een uiting is van een gevoel van bescheidenheid, nederigheid en ingetogenheid. De befaamde achttiende eeuwse Rabbi Mosje Chagiz meent, dat lange kleding past bij verfijnde mensen, terwijl de Maharil, die de Asjkenazische minagiem heeft beschreven, schrijft, dat lange jassen een teken van voornaamheid zijn. Dit blijkt ook uit de Jeruzalemse Talmoed: leden van het koningshuis van koning Saul hulden zich in lange gewaden. De Babylonische Talmoed voegt hier nog aan toe, dat Torageleerden zich zo moeten kleden, dat niets van de onderkleding zichtbaar is.
De sociologische imitatietheorie lijkt dus niet houdbaar: joodse bronnen schreven de traditionele “Rabbijnse” wijze van kleden reeds eerder voor.
DE TSIETS, DE VOORHOOFDSPLAAT VAN DE HOGEPRIESTER
► ‘En maak een zuiver gouden Tsiets, voorhoofdsplaat’ (Ex. 28:36).
Volgens de Chagamiem (Wijzen) geeft de voorhoofdsplaat kappara (verzoening) voor onbeschoftheid en onbeschaamdheid. Dit is moeilijk te begrijpen want in de Tora staat zeer duidelijk dat de voorhoofdsplaat kappara geeft voor de offers. Volgens onze Wijzen (Menachot 25a) slaat dit laatste op de offers die in onreinheid gebracht werden.
Offers of brutaliteit?
Hoe kan de Talmoed (B.T. Erechien 15b) dan stellen dat de voorhoofdsplaat kappara geeft voor brutaliteit? Het antwoord is dat onreinheid bij de offers, in menselijke termen vertaald, onreinheid in de geest betekent. Eén van de duidelijkste vormen hiervan is ontucht. Ontucht beheerst het denken, vertroebelt de geest en verlaagt `s mensens kedoesja (heiligheid).
Onreine offers en choetspa liggen aangeduid in de Tsiets
Daarom stond ook op de voorhoofdsplaat: ‘Kodesj Lasjeem’ – heilig voor Hasjeem. Beide zaken liggen aangeduid in de Tsiets:
- De zuiver gouden plaat zelf gaf kappara voor de onreinheid van de offers maar het feit
- dat het op het voorhoofd geplaatst moest worden was om ook voor brutaliteit en ontucht verzoening te doen.
Hemelsblauwe draad
Daarom staat er in de Tora ook dat op de voorhoofdsplaat een hemelsblauwe draad bevestigd moest worden, te vergelijken met het hemelsblauw van de Tsietsiet. Ook de Tsietsiet waren bedoeld tegen ontuchtige gedachten, zoals we iedere keer weer in de derde parsja van Sjema lezen.
Drie herinneringen aan goed zedelijk en religieus gedrag voor de koheen gadol (hogepriester) en het volk
In de voorhoofdsplaat zaten dus drie aspecten die allemaal ontucht moesten tegengaan:
- Op de voorhoofdsplaat zelf stond ‘Kodesj Lasjeem’. Ten tweede is er
- de hemelsblauwe draad die net zoals de Tsietsiet ontuchtige gedachten moest tegengaan en
- bovendien droegen de Kohaniem een tulband die Kappara gaf voor hoogmoed en zelfwaan. Hoogmoed is de voorbode van ontucht. Alleen een verwaand en trots mens meent, dat zijn passies belangrijker zijn dan de heiligheid van het huwelijksleven.
