In het eerste deel van het tweede boek van de Tora, Sjemot of Exodus, worden de Uittocht uit Egypte besproken en de Matan Tora, het geven van de Tora. Vorige week lazen we over de architectuur van de Tempel en de vele verschillende voorwerpen daarin, zoals de Aron hakodesj, de heilige Arke en de sjoelchan, de tafel met de toonbroden.
In deze parsja lezen we onder andere over de kleren van de kohaniem (priesters). Een van de kledingstukken was een soort tulband, die wellicht de basis vormt van onze moderne keppel of kipa (hoofdbedekking voor mannen).
De keppel herinnert aan iets hogers
Dit herinnert mij aan een interessante discussie van een goede vriend, Rabbi Kimchi, in een vliegtuig op een binnenlandse vlucht in Mid-West Amerika. De dame naast hem vroeg hem wat hij daar op zijn hoofd droeg. Rabbi Kimchi antwoordde, dat dit een traditionele kipa of keppel was. “Maar waarom draagt u die? Niemand heeft zoiets op zijn hoofd!”.
“Ik draag dit omdat ik mijzelf wil herinneren aan het feit, dat er een Opperwezen boven mij is. Bovendien sta ik in een traditie, dat alle vrome Joden altijd al een kipa droegen.
Het begon al bij onze Aartsvaders Avraham, Jitschak en Ja’akov. Wij zijn trots op onze voorouders. Zij stonden dichter bij de Openbaring op de berg Sinai, waar we de Tora kregen. Op technologisch gebied zijn we inderdaad verder gekomen maar op religieus gebied worden we iedere generatie zwakker in ons geloof en onze joodse identificatie. Kent u Joden?”.
Eerbied voor de vorige generaties
“Niet echt”, antwoordde de buurvrouw in het vliegtuig, “maar er is een familie aan het einde van onze straat, die joods is”. “Is u ooit iets opgevallen bij hen?”. “Ja”, zei de buurvrouw, “zij waren bijzonder eerbiedig voor hun ouders. Zij deden werkelijk alles om het hen naar de zin te maken”. “Gelooft u in de evolutietheorie?”, vroeg de Rabbijn. ”Ja”, antwoordde de vrouw.
“Kijk”, zei de Rabbijn, ”wij geloven dat wij afstammen van de Aartsvaders Avraham, Jitschak en Ja’akov en kijken naar hen op omdat zij de moed hadden het geloof in G’d en het monotheïsme te prediken in een omgeving vol afgoden.
Daarom eren wij onze ouders omdat zij de religieuze tradities aan ons hebben overgedragen. Maar u gelooft in uw afstamming van de apen. U kijkt alleen naar voren, naar nog meer technische vooruitgang. Respect voor de vorige generaties past daar niet bij”.
Om G’ds Koninkrijk op aarde te vestigen
Onze Aartsouders en voorouders waren erop gericht om G’d op deze aarde bekend te maken. Zij deden alles om hun doel te bereiken. Dit doel om G’ds Aanwezigheid hier op aarde te openbaren kreeg concreet gestalte in de bouw en inrichting van het Misjkan, het Heiligdom of Tabernakel.
Het is duidelijk, dat onze Aartsvaders met hun profetische gaven hiervan wisten. Ja’akov plantte – lang voor de Uittocht uit Egypte – de cederbomen, die de Joden meenamen uit Egypte om daarmee in de woestijn hun reizende Heiligdom te bouwen. De eerste stekjes nam Ja’akov van de cederboom, die Avraham in Be’ersjewa (Berseba) geplant had bij zijn herberg. In deze herberg werden gasten gratis ontvangen om hen G’ds woord mee te delen.
De tent van Sara
In de tent van Sara, onze eerste Aartsmoeder brandde altijd een heilig licht, hing een G’ddelijke wolk continu boven haar tent en was er altijd beracha (zegen) aanwezig in haar deeg, waar ze brood uit bakte voor de eindeloze stroom gasten, die van haar en Avraham leerden over die Ene, Enige G’d.
De G’ddelijke wolk herinnerde aan de wolk van het wierookoffer in de latere Tabernakel. De zegen in het deeg herinnerde aan de toonbroden, die altijd op de tafel in het Heilige lagen en het eeuwige licht herinnerde – avant la lettre – al aan het heilige licht van de Menora – de luchter – in de Tabernakel.
De voorwerpen van de Tabernakel herinnerden aan de Aartsvaders
De tafel met toonbroden in het latere Misjkan (reizende Heiligdom) herinnerde aan de gastvrijheid waarmee Avraham gasten onthaalde met een stichtelijk woord van geloof om hen G’d naderbij te brengen.
Het altaar herinnerde aan de opofferingsgezindheid van onze tweede Aartsvader Jitschak en Avraham bij de offerande van Jitschak.
De Menora herinnert aan het Tora-licht, dat onze derde Aartsvader Ja’akov verspreidde bij de stichting van het joodse volk met zijn twaalf zonen.
Daarom kijken wij met bewondering op naar onze ouders, voorouders en Aartsouders. Daarom dragen wij nog steeds een keppel of kipa om ons constant aan HaSjeem (G’d) te herinneren.
