Aan het einde van parsja Besjallach van vorige week wordt de oorlog met Amalek beschreven.
Deze week lezen we parsja Jitro met daarin de Openbaring van G’d aan het joodse volk, waarbij op de berg Sinaï de Tien Geboden worden overgedragen aan de Bnee Jisraeel, het joodse volk.
Wat is het verband met het einde van Besjallach?
De Arizal, de grote Kabbalist Rabbi Jitschak Luria verklaart het woord Adam – alef, dalet en mem, dat mens betekent naar de beginletters van de drie kernwoorden van het Jodendom:
1. Alef: Geloof – Emoena,
2. Dalet: Dibboer – het verbaliseren van de belangrijkste opdrachten van het Jodendom, het leren en het dawwenen (bidden),
3. Mem: Ma’asee, handelen in overeenkomst met de opdrachten en wensen van G’d.
Geloof – Emoena
Ons geloof is de basis van onze Jodendomsbeleving. Maar geloof is niet zo eenvoudig als het lijkt. Het bestaat uit drie niveaus gelijk de menselijke functies: denken, praten, doen.
Geloven is allereerst een mentale instelling. Het gaat primair om geloof in G’ds bestaan. Dit klinkt vrij basaal maar is in onze maatschappij zeker niet meer vanzelfsprekend nu 60% van de bevolking van Noord-West Europa zelf opgeeft dat zij atheïstisch zijn.
Heel het joodse volk geloofde
De eerste keer dat het woord ‘geloven’ voorkomt in de Tora, is het geloof in G’ds bestaan en Zijn betrokken zijn bij het joodse volk toen Mosje het joodse volk in Egypte vertelde, dat hij hen kwam bevrijden (Ex. 4:29-31):
“Toen ging Mosje op weg, met Aäron, en zij verzamelden alle oudsten van de Israëlieten. Aäron sprak al de woorden die G’d tot Mosje gesproken had, en deed de tekenen voor de ogen van het volk. Het volk nu geloofde. Toen zij hoorden dat G‘d naar de Israëlieten omgezien had en dat Hij hun onderdrukking gezien had, knielden zij en bogen zij zich neer“.
Dawwenen en zingen
Maar daarnaast eist geloof ook, dat wij onze aanhankelijkheid aan G’d uiten in gebed en G’ds lof zingen. Dit lazen wij in parsja Besjallach (Ex. 14:30-31):
“Zo verloste G‘d Israël op die dag uit de hand van de Egyptenaren. En Israël zag de Egyptenaren dood aan de oever van de zee liggen. Toen zag Israël de machtige hand die G’d tegen de Egyptenaren gekeerd had, en het volk vreesde G’d en geloofde in G‘d en in Mosje, Zijn dienaar“.
Hun geloof in HaSjeem (G’d) zongen de Joden bij het lied van de zee, dat – naast Sjema – iedere dag in onze gebeden wordt uitgesproken als herinnering aan de extase die de bevrijde joodse slaven voelden, toen zij zagen hoe G’d het voor het joodse volk opnam, toen Egypte hen achtervolgde en het Egyptische leger in de Schelfzee verdronk.
Doen
Na Matan Tora, na het geven van de Tora op de berg Sinai, verklaarde het joodse volk zijn bereidheid om alles ook in de praktijk te brengen en te doen (Ex. 24: 3):
“Mosje kwam terug en vertelde al de woorden van G’d en al de bepalingen aan het volk. Toen antwoordde heel het volk eenstemmig en zij zeiden: Al de woorden die G’d gesproken heeft, zullen wij doen“.
Het ultieme doen
Het praktisch uitvoeren van de voorschriften van de Tora, ‘geen woorden maar daden’ is de ‘core-business’ van het joodse volk geworden. Het uit zich in ons niet schamen voor onze omgeving wanneer bijvoorbeeld in de trein of op een andere openbare plaats ons geloof belijden door tefillien en talliet, gebedsriemen en gebedsmantel aan te leggen in aanwezigheid van vele niet-joden.
Echte opofferingsgezindheid voor HaSjeem en het joodse volk is onder de wapenen gaan en opkomen voor het lijfelijk behoud van het joodse volk. Dat was wat Jehosjoe’a deed in de oorlog tegen Amalek aan het einde van parsja Besjallach. Dit is het ultieme doen.
