De moeder van de vloeker heette Sjlomiet bat Diwri. Zij was de enige Joodse vrouw, die verkracht was door een Egyptenaar tijdens de slavernij (ze dacht overigens dat het haar man was). Sjlomit had dit enigszins aan zichzelf te danken omdat ze iedereen op veel te vriendelijke wijze begroette met ‘sjalom’. Daarom heette ze Sjelomit.
Toen een Egyptische opzichter ’s ochtends langskwam om haar man op te halen voor het werk, groette zij hem iets te sympathiek. Daarom kwam hij later terug. Haar man ontdekte de verkrachting en de Egyptenaar probeerde hem het zwijgen op te leggen door hem vreselijk hard te slaan. Mosjé zag dat en doodde de Egyptenaar door het uitspreken van de vierletterige G’dsnaam.
Waar ging hij uit?
De Tora schrijft: “En de zoon van een Joodse vrouw ging uit en hij was de zoon van een Egyptische man” (Wajikra/Lev. 24:10). De midrasj vraagt hierbij: “Waar ging hij dan uit? Rabbi Berachja antwoordde: Hij ging uit van de afdeling over de Toonbroden, die er vlak voor staat”. Het Lechem HaPanim (Toonbrood) werd elke Sjabbat op de Sjoelchan (tafel) in de Tabernakel geplaatst en de volgende Sjabbat ververst. De Toonbroden werden uiteindelijk opgegeten door de Priesters. De zoon van Sjlomit had daar moeite mee: “Is het gepast dat in het paleis van de Koning brood van negen dagen oud wordt uitgedeeld?!”.
Een duidelijk wonder
G’d had met opzet opgedragen, dat het brood een week lang op de Sjoelchan (tafel) moest blijven liggen om regelmatig een duidelijk wonder aan het volk te tonen. De vloeker geloofde niet in dit wonder en vond het onzin. Als hij een week gewacht had dan had hij het wonder van het verse brood zelf kunnen aanschouwen maar hij had geen geduld.
Hij hoorde niet bij een stam
Hij ging terug naar zijn tent buiten het kamp. Hij had geen Joodse vader, dus hoorde hij niet bij een stam. Maar op een dag besloot hij om bij de stam Dan te gaan wonen. Toen hij z’n tent daar neerzette, vroeg men hem waar hij vandaan kwam. “Mijn moeder komt uit de stam Dan. Maar wíj volgen voor het stamlidmaatschap de afstamming van de vader!”. Het Rabbinale Hof gaf de zoon van de Egyptische man ongelijk. Toen vroeg hij woedend: “Maar wie is mijn vader dan?”.
Egyptische vader
Het antwoord was, dat hij de Egyptenaar was, die Mosjé met het uitspreken van de Naam van G’d gedood had. Toen hij dit hoorde, sprak hij die Vierletterige naam van G’d uit en vloekte hem.
Wat was het probleem van de vloeker?
Hij had problemen met de Toonbroden. De man had geen geduld. Hij wilde antwoord op zijn vragen; nu, direct! Als hij een week geduld had gehad, had hij het antwoord gekregen. Zo vergaat het velen van ons nog steeds. We begrijpen niet veel van de Joodse geschiedenis maar dat is geen reden om niet te geloven in G’ds Meesterplan. Als we maar even geduld hadden!
