Deze parsja vermeldt de verschillende feestdagen in het Joodse jaar. Maar middenin verschijnt een opdracht: “wanneer jullie de oogst van jullie land binnenhalen, moeten jullie giften achterlaten voor de armen en de bekeerlingen” (23:22). Precies tussen Pesach (Pasen) en Sjawoe’ot (Wekenfeest) aan de ene kant en Rosj hasjana (Nieuwjaar) en Jom kippoer (Grote Verzoendag) aan de andere kant staat deze mitsva (gebod) om ook de minderbedeelden te gedenken.
Wij nemen onszelf in iedere relatie mee
Wat is de idee hierachter?
In een verhulde boodschap wil G’d ons attent maken op een interessante interactie, die we niet altijd doorhebben: dat wij onszelf meenemen in iedere relatie.
Er bestaat niet zo veel verschil tussen onze intermenselijke houding en onze relatie met Hasjeem (G’d). Onze Wijzen drukken het als volgt uit: “Iedereen die liefdadigheid geeft van zijn veld, wordt beschouwd de heilige Tempel te hebben gebouwd en daar offers te hebben gebracht”.
Tempeldienst en liefdadigheid
Dit lijkt op het eerste gezicht een merkwaardige uitspraak. Wat heeft de Tempeldienst te maken met liefdadigheid?
Het Joodse antwoord luidt: wij kunnen G’d ook benaderen en leren kennen door onze omgang met de medemens.
Wij zien deze gedachte terug in de uitspraak ‘degene, die ondankbaar is naar zijn medemensen, zal uiteindelijk ook G’d ondankbaar zijn’. Wat een dieptepsychologie!
Maar wat heeft G’dsdienst met intermenselijk gedrag te maken?
Omdat we onszelf overal meenemen en eigenschappen die actief zijn in intermenselijke relaties ook werken in onze relatie met het Opperwezen.
De Talmoed erkent dit ook met zo veel woorden: “Het is zeker, dat iemand die liefdadigheid doet een G’dvrezend mens is” (Soeka 49b).
Liefdadigheid naar de medemens en ontzag voor G’d stammen uit dezelfde bron.
G´d is de uiteindelijke Eigenaar en Ontvanger
Door het goede te doen leggen wij een relatie met Hasjeem (G’d). Wij imiteren G´d door het uitvoeren van goede daden en liefdewerken. G´d is betrokken in het intermenselijke verkeer. Als wij geld geven aan arme mensen is dat ook goed in onze relatie tot G´d. G´d is de uiteindelijke Eigenaar van alles in de wereld en de uiteindelijke Ontvanger van de geschenken aan de armen.
G’d is betrokken in de relaties tussen de mensen. Dit is ook de religieuze basis van onze houding tegenover behoeftige medemensen. Alle mensen zijn broeders omdat alle mensen kinderen zijn van G’d.
Hoe lopen vroomheid en medemenselijkheid parallel?
Open je hart betekent: verbreed je horizon. Als iemand in een donkere kamer gevangen zit, leeft hij afgesloten van zijn omgeving. Zodra hij een raam opent, ziet hij mensen en de Hemel.
Het G’ddelijke in onze medemens
Wanneer je het ‘raam van je hart’ openzet voor anderen, ben je niet langer alleen bezig met je zelf. Hierdoor zie je tegelijkertijd de Hemel. Ontzag voor Hasjeem (G’d) heet ‘jira‘ – van de stam ‘zien‘.
Wanneer we G’d zien, raken we onder de indruk.
Wanneer we het G’ddelijke in onze medemens zien, ook…
