Jechezkeel/Ez. 44: 15-31: “Ze mogen zichzelf niet verontreinigen door bij een dode te komen“.
Verontreiniging en morele vrijheid
Voor een beter begrip van deze psychische hygiëne moeten we nagaan wat het begrip onreinheid betekent in de context van de dood. Een dood lichaam vertegenwoordigt de hoogste graad van onreinheid. Morele vrijheid, de vrije keuze op het gebied van moraal en ethiek, vormt het kernbegrip van het halachische en ethische Jodendom, de Joodse filosofie.
Lichaam en ziel
De mens bestaat uit lichaam en ziel. Wat het lichamelijk deel van de mens betreft lijkt hij onderworpen aan de wetten van causaliteit, oorzaak en gevolg, die de natuurlijke wereld doorgaans beheersen. De combinatie van lichaam en ziel, de mens, is naar Joodse opvatting in moreel opzicht volledig vrij. Ware dit niet zo dan zou voor de morele verantwoordelijkheid van de mens en de begrippen straf en beloning iedere grond ontbreken.
Bedreiging van de menselijke vrijheid
Iedere gebeurtenis, die deze overtuiging aan het wankelen brengt, betekent een groot gevaar voor onze morele en religieuze vrijheid, stabiliteit en harmonie. In de sfeer van de religieuze pedagogiek wordt het tegengaan van alle invloeden, die tenderen naar het afzwakken, verlichten of ontkennen van ’s mensens vrijheid, als uiterst belangrijk gezien.
Determinisme en dood
Het Jodendom is één groot protest tegen het determinisme in psychische zin; het ontkent, dat de mens gebonden zou zijn aan de ijzeren ketenen van oorzaak en gevolg als de aarde waaruit het lichaam genomen is.
Wat kan de mens meer aan het twijfelen brengen dan het contact met een dood lichaam, het symbool van de menselijke onderworpenheid aan de natuurwetten van ontbinding en bederf?
Verandering na de dood
Het Jodendom benadrukt de ethisch‑religieuze vrijheid van de mens; dit vrije deel van de mens – het G’ddelijke moment in het aardse wezen – heeft na het overlijden het aan de natuurwetten onderworpen bestanddeel, het lichamelijke aspect van de mens, verlaten. De ziel blijft dezelfde G’ddelijke vonk, die het ook voor de verbinding met het lichaam was.
Het lichaam ondergaat de grootste verandering; het verwordt het tot een nutteloos object, dat na de dood volledig is onderworpen aan de natuurelementen; ontbinding en rotting zijn haar deel. De ‘val’ vanuit haar verheven toestand naar een verachtelijke aardse situatie brengt zelfs de meest standvastige en stabiele persoon aan het wankelen. Dat is de geestelijke onreinheid waar wij ver van moeten blijven.
Twijfel
Dit idee ligt ten grondslag aan de doctrine, dat een overledene tamé – onrein – is. De beste vertaling van het begrip toema is wellicht ‘een toestand, die de waarheid en waarde van de ethische en morele vrijheid van de mens overschaduwt‘.
In confrontatie met de dood gaat de mens twijfelen en het duurt enige tijd voordat hij zijn twijfels te boven komt. Degene, die een lijk had aangeraakt mocht daarom het Beet hamikdasj, het Heiligdom – het levende symbool van de G’ddelijke aanwezigheid onder Israël – niet betreden.
Reiniging en terugkeer
Degene, die in contact was geweest met een dood lichaam moest een tijd wachten, zich bezinnen en een mikwe (ritueel bad) nemen voordat hij het Heiligdom weer mocht betreden. Want slechts bezinning en meditatie, mogelijk gemaakt door in ruimte en tijd afstand te nemen van het dode lichaam, konden degene, die begon te twijfelen aan de waarheid van de vrije menselijke keus, weer op het rechte spoor zetten.
Dit is de diepere achtergrond van toema – een concept, dat een bijzondere plaats inneemt binnen het morele en metafysische denken binnen het Jodendom.
