Jodendom is geestelijk groeien. Wordt dit gefaciliteerd door omstandigheden, die onze nesjomme-dikke ontplooiing bevorderen? Dit lijkt plausibel. Iedereen weet uit ervaring, dat men zich in een bepaalde omgeving spiritueel beter voelt. Dan moet er ook een plaats zijn waar dit makkelijker bereikbaar is dan elders.
Een centrum van spiritualiteit geeft een extra stimulans
In de oude tijden was dit het Beet Hamikdasj (tegenwoordig is dat de Sjoel of de Beet Hamidrasj). Succes bij je spirituele zoektocht is in principe overal mogelijk. De hele wereld is immers gevuld met G’ds Majesteit. Toch vormt een centrum van spiritualiteit een extra stimulans. Wil je succes hebben, dan moeten de omstandigheden je helpen.
Niet in het Heiligdom slachten is bloedvergieten
Misschien is dit ook een uitleg voor een moeilijk te begrijpen voorschrift: ’Iedereen die een dier wil slachten in het kamp of buiten het kamp en dit niet gebracht heeft naar de ingang van de tent der samenkomst om het als een offer voor G’d te brengen, dan moet dit beschouwd worden als bloedvergieten. Hij heeft bloed vergoten en zo’n man zal afgesneden worden van zijn volk’ (Vajikra/Lev. 17:3-4).
Vleesconsumptie moest worden voorafgegaan door spirituele verheffing
Dit verbod staat bekend als sjechoetee choets – slachten buiten de heilige plaats. Gedurende de veertigjarige omzwervingen door de woestijn mocht er geen hap vlees gegeten worden zonder dat het dier eerst als offer was gebracht. Vleesconsumptie moest worden voorafgegaan door spirituele verheffing. Men mocht alleen vlees van offers eten. Het doden van dieren mag ons niet koud laten.
Feest-vrede-offers voor G’d
Wat was de achtergrond van deze opdracht? Iets verderop zegt de Tora: ’Ze mogen hun offers niet langer brengen aan de spoken die ze achternalopen. Dit is een eeuwig verbod voor alle generaties’ (Vajikra 17:7). De Tora legt ook uit hoe het vroeger was: ’Opdat de Bnee Jisra’eel hun feestoffers die ze in het open veld plachten te brengen, nu naar de ingang van de tent van samenkomst zullen brengen naar de koheen. Ze zullen ze slachten als feest-vrede-offers voor G’d” (Vajikra/Lev. 17:5).
Het verlangen een verbintenis met het heilige aan te gaan
Toch blijft moeilijk dat deze wet voor iedereen is gegeven. Waarom kon er geen uitzondering worden gemaakt voor grote geesten, heilige mensen en tsaddikiem? Mensen die op een hoog spiritueel niveau staan kunnen zelfs in Europa de Sjechina voelen. Mystici treffen vaak in zichzelf iets aan wat ze gemeenschappelijk hebben met het G’ddelijke. Zij wenden hun blik naar binnen om te ontdekken dat een aspect van hun wezen of hun hele wezen correspondeert met G’d. Het is deze verwantschap, die ten grondslag ligt aan het verlangen een verbintenis met het heilige aan te gaan. Mystiek wordt typisch geassocieerd met de ontwikkeling van nesjomme, niet als doel op zich maar als een poging om een volmaakte gelijkenis tussen het eigen wezen en de Ander te ontdekken.
Ook de grootste geesten hebben doorlopend inspiratie nodig
Toch geldt er één wet voor iedereen. Want ook de grootste geesten hebben doorlopend inspiratie nodig. Misschien moet ik het scherper stellen: juist de grootste geesten hebben continu stimulansen nodig om te blijven groeien. Als men eenmaal verheven is boven de massa, menen velen dat ze op hun spirituele lauweren kunnen rusten en verder zelf niet hoeven te groeien. Ze kunnen, zo menen ze, anderen blijven inspireren hoewel ze zelf niet meer groeien. Dit is een denkfout.
Ook de meest verheven leiders moeten doorlopend groeien, willen ze anderen kunnen blijven inspireren. Daarom moet iedereen steeds de nabijheid van G’d opzoeken in het Heiligdom, gesteund door de koheen die constant in de Tempel aanwezig is. Alleen dan zal het spirituele leven van het hele volk naar een hoger plan gebracht worden. Doordat G’d oneindig is kan ieder mens op elk niveau steeds meer van dat G’ddelijke proeven en zichzelf en de ander daarmee verheffen. Jodendom is eindeloos stijgen. Maar de omgeving blijft belangrijk.
